De rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel wordt gewijzigd op het vlak van het omstandigheidsverlof.
Het college van burgemeester en schepenen en het vast bureau legden een voorstel voor aan het syndicaal overleg- en onderhandelingscomité inzake wijziging van de rechtspositieregelingen van het gemeente- en OCMW-personeel op het vlak van het omstandigheidsverlof.
Voor een toelichting rond het voorstel wordt verwezen naar de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen en het vast bureau van 30 december 2025 houdende wijziging van de rechtspositieregelingen en de arbeidsreglementen inzake het omstandigheidsverlof.
Er werd een protocol van akkoord afgesloten met ACV Openbare Diensten en ACOD Lokale en Regionale Besturen op 19 januari 2026.
De rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel wordt als volgt gewijzigd:
Art. 273. Het personeelslid krijgt omstandigheidsverlof naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen:
| 1° huwelijk van het personeelslid of het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door het personeelslid, vermeld in artikel 1475 tot en met 1479 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van het afleggen van een verklaring van samenwoning van bloed- of aanverwanten: |
4 werkdagen, op te nemen binnen de maand na de omstandigheid |
| 2° bevalling van de echtgenote of samenwonende partner, of ter gelegenheid van de geboorte van een kind dat wettelijk in de eerste graad afstamt van de werknemer: |
20 werkdagen, op te nemen in volledige dagen binnen de 4 maanden vanaf de bevallingsdatum |
| 3° overlijden van de samenwonende of huwelijkspartner, van een kind van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner, of van een pleegkind in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden: |
10 werkdagen, op te nemen als volgt:
|
| 3°/1 overlijden van de vader, moeder, stiefvader, stiefmoeder, schoonzoon of schoondochter van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: |
4 werkdagen, op te nemen binnen de maand na de omstandigheid |
| 3°/2 overlijden van de pleegvader of pleegmoeder van het personeelslid in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden: |
4 werkdagen, op te nemen binnen de maand na de omstandigheid |
| 3°/3 overlijden van een pleegkind in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: |
1 werkdag, op te nemen binnen de maand na de omstandigheid |
| 4° huwelijk van een kind of van een pleegkind (i.k.v. langdurige pleegzorg) van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner: |
2 werkdagen, op te nemen binnen de maand na de omstandigheid |
| 5° overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in om het even welke graad, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid of de samenwonende partner: |
2 werkdagen, op te nemen binnen de maand na de omstandigheid |
| 6° overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in de tweede graad, een overgrootouder of een achterkleinkind, niet onder hetzelfde dak wonend als het personeelslid of de samenwonende partner: |
1 werkdag, op te nemen binnen de maand na de omstandigheid |
| 7° huwelijk van een bloed- of aanverwant: a) in de eerste graad, die geen kind is; b) in de tweede graad, van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: |
de dag van het huwelijk |
| 7°/1 huwelijk van een: a) pleegouder van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner; b) bloed- of aanverwant in de eerste en tweede graad van de pleegouder of het pleegkind van het personeelslid, de samenwonende of huwelijkspartner: |
de dag van het huwelijk |
| 8° priesterwijding of intrede in het klooster van een kind of van een pleegkind (in het kader van langdurige pleegzorg) van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner, of van een broer, zuster, schoonbroer of schoonzuster van het personeelslid: |
de dag van de rooms-katholieke plechtigheid of een daarmee overeenstemmende plechtigheid bij een andere erkende eredienst |
| 9° plechtige communie van een kind of van een pleegkind (in het kader van langdurige pleegzorg) van het personeelslid of van de samenwonende of huwelijkspartner; deelneming van een kind of van een pleegkind (in het kader van langdurige pleegzorg) van het personeelslid of van de samenwonende of huwelijkspartner aan het feest van de vrijzinnige jeugd; deelneming van een kind of van een pleegkind (in het kader van langdurige pleegzorg) van het personeelslid of van de samenwonende of huwelijkspartner aan een plechtigheid in het kader van een erkende eredienst die overeenstemt met de rooms-katholieke plechtige communie: |
de dag van de plechtigheid, of, als dat een zondag, feestdag of inactiviteitsdag is, de eerstvolgende werkdag |
| 10° gehoord worden door de vrederechter in het kader van de organisatie van de voogdij over een minderjarige: |
de nodige tijd, maximaal één dag |
| 11° deelneming aan een assisenjury, oproeping als getuige voor de rechtbank of persoonlijke verschijning op aanmaning van de arbeidsrechtbank: |
de nodige tijd |
| 12° zwangerschapsverlies van het personeelslid dat zwanger was (mits afleggen verklaring op eer): |
2 werkdagen, op te nemen binnen de maand na de omstandigheid |
| 13° zwangerschapsverlies van de echtgenote of samenwonende partner van het personeelslid (mits afleggen verklaring op eer): |
2 werkdagen, op te nemen binnen de maand na de omstandigheid |
Het omstandigheidsverlof wordt aangevraagd bij de algemeen directeur indien mogelijk vooraf. Indien het personeelslid het niet vooraf kan aanvragen, doet hij dit zo vlug mogelijk. Hij zorgt voor de nodige stavingsmiddelen.
Het omstandigheidsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit en is in alle gevallen bezoldigd, met uitzondering van een deel van het vaderschapsverlof voor contractuele personeelsleden in de gevallen die hierna omschreven worden.
Voor het personeelslid wordt het verlof ter gelegenheid van de geboorte van een kind waarvan de afstamming aan zijn zijde vaststaat, vermeld in 2°, toegekend als volgt:
Volgende begrippen worden als volgt gedefinieerd:
Art. 274bis. De in artikel 273 opgenomen opnameperiode van 1 maand na de voorgevallen omstandigheid geldt voor omstandigheden die voorvallen vanaf 1 februari 2026. Het omstandigheidsverlof met betrekking tot omstandigheden die zich voordeden voor 1 februari 2026 moet ten laatste opgenomen worden op 31 december 2026.