De fietspolicy voor het onderwijspersoneel wordt goedgekeurd en toegevoegd als bijlage bij het arbeidsreglement van de gemeentelijke basisschool.
Schoolbesturen krijgen de mogelijkheid om op een fiscaal gunstige manier hun personeelsleden fietsleasing aan te bieden via het gebruik van (een deel) van de bruto eindejaarstoelage. Personeelsleden in het onderwijs krijgen hierdoor de mogelijkheid om de gehele of een deel van de bruto eindejaarstoelage om te zetten in een flexbudget en dit te besteden aan fietsleasing. Het schoolbestuur gaat een contract aan met de fietsleasingmaatschappij en het ingezette flexbudget wordt teruggevorderd via het agentschap voor Onderwijsdiensten (AGODI).
Vooraleer er kan gestart worden met het aanbieden van fietsleasing voor onderwijspersoneel moeten de nadere regels opgenomen worden in een fietspolicy, die als bijlage bij het arbeidsreglement van de gemeentelijke basisschool opgenomen moet worden.
De gemeente en het OCMW van Wevelgem bieden op heden al fietsleasing aan aan het gemeente- (m.u.v. het onderwijspersoneel) en OCMW-personeel en daarvoor wordt een beroep gedaan op de raamovereenkomst 'levering van fietsen (leasing)' waarbij de provincie West-Vlaanderen optreedt als aankoopcentrale en de opdracht werd gegund aan Cyclis Bike Lease nv (cfr. beslissingen van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn van 11 september 2025). Er wordt voorgesteld om dit tevens aan te bieden aan het onderwijspersoneel van de gemeentelijke basisschool en hiervoor ook een beroep te doen op vermelde aankoopcentrale (cfr. beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 26 november 2025) en derhalve de fietspolicy ter zake goed te keuren.
Met uitzondering van de wettelijke bepalingen en procedures die vastgelegd zijn voor het onderwijspersoneel is de voorgestelde fietspolicy gelijklopend aan de policy van het gemeente- en OCMW-personeel.
Het voorstel van fietspolicy wordt als bijlage toegevoegd bij het arbeidsreglement van de gemeentelijke basisschool.
Er werd een protocol van akkoord verleend na voorlegging aan de leden van het ABC (afzonderlijk bijzonder comité) op 27 november 2025.
De fietspolicy voor het onderwijspersoneel, in bijlage, wordt goedgekeurd en toegevoegd als bijlage bij het arbeidsreglement van de gemeentelijke basisschool.
Goedkeuring wordt verleend aan het bestek voor de concessie van openbare dienst ‘parkeercontrole'.
De concessie met als voorwerp 'concessie van openbare dienst: parkeercontrole' loopt op 31 maart 2026 ten einde.
Om voldoende parkeerrotatie te behouden op de parkeerplaatsen met een blauwe zone reglementering, al dan niet met uitzondering voor bewoners, zowel voor parkeerplaatsen met een maximale parkeerduur van 2 uur als van 30 minuten en om voor voldoende parkeerplaatsen te zorgen op bepaalde plaatsen voor bewoners, dienen deze parkeerplaatsen ook na 31 maart 2026 gecontroleerd te worden.
In het kader van de opdracht ‘concessie van openbare dienst: parkeercontrole' stelde de heer Wim Lecoutere, verkeersdeskundige, een bijzonder bestek met nr. 2972/05225 op.
Bedoelde concessie valt niet onder het toepassingsgebied van de wet van 17 juni 2016 betreffende de concessieovereenkomsten, noch onder de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten. Uiteraard worden wel het principe van de gelijke mededinging en transparantie gerespecteerd.
Voor deze concessie dient een concessievergoeding betaald door de inschrijver, terwijl de concessiehouder ook een deel van de inkomsten (retributies) ontvangt als vergoeding voor het uitvoeren van deze concessie.
De raming van de concessievergoeding bedraagt 10 000 euro (excl. btw) voor één jaar.
Aan de gemeenteraad van heden wordt een toegelicht voorstel van beslissing voorgelegd om binnen het algemeen retributiereglement de retributie op het parkeren in een zone voorbehouden voor bewonersparkeren zonder bewonerskaart of op het langer dan voorzien parkeren in een blauwe zone te verhogen naar 25 euro.
De ontvangsten worden geboekt op rekening PB4-ACT49/0220-00/700581 van het exploitatiekrediet en de uitgaven worden aangerekend op rekening PB4-ACT49/0220-00/613000 van het exploitatiekrediet.
Artikel 1
Goedkeuring wordt verleend aan het bijzonder bestek met nr. 2972/05225 en de raming voor de opdracht 'concessie van openbare dienst: parkeercontrole' opgesteld door de heer Wim Lecoutere, verkeersdeskundige.
De raming van de concessievergoeding bedraagt 10 000 euro (excl. btw) voor één jaar.
Artikel 2.
Bovengenoemde concessie wordt onderworpen aan de principes van de gelijke mededinging en transparantie.
Raming: 49 512,50 euro (excl. btw).
Onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.
In het kader van de opdracht 'onderhouds- en herstellingswerken riolering 2026' werd een bestek met nr. 2974/05425 opgesteld door de heer Gilles Parent, dienst Openbare Infrastructuur en Mobiliteit.
De uitgave voor deze opdracht wordt geraamd op 49 512,50 euro (excl. btw).
Er wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen bij wijze van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.
De opdracht omvat diverse herstellings- en onderhoudswerken, uit te voeren aan het gemeentelijk rioolstelsel. De exacte aard, omvang en locatie van deze werken zijn vooraf niet bekend en worden bepaald op basis van ontvangen meldingen of ter plaatse vastgestelde behoeften. Deze onbeschreven deelopdrachten zijn op afroep.
De uitgave voor deze opdracht wordt aangerekend op rekening 0310-00/227007/IP-OVERIG van het investeringskrediet.
Artikel 1
Het bestek met nr. 2974/05425 en de raming voor de opdracht 'onderhouds- en herstellingswerken riolering 2026', opgesteld door de heer Gilles Parent, dienst Openbare Infrastructuur en Mobiliteit, worden goedgekeurd. De lastvoorwaarden worden vastgesteld zoals voorzien in het bestek en zoals opgenomen in de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten voor aannemingen van werken, leveringen en diensten. De raming bedraagt 49 512,50 euro (excl. btw).
Artikel 2
Bovengenoemde opdracht wordt gegund bij wijze van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.
Raming: 1 981 400 euro (excl. btw), hetzij 2 397 494 euro (incl. btw).
Openbare procedure.
In het kader van de opdracht ‘aanleg en heraanleg voetpaden op diverse plaatsen 2026-2027-2028-2029-2030’ werd een bestek met nr. 2971/05125 opgesteld door de heer Dave Vanleeuwen, dienst Openbare Infrastructuur en Mobiliteit.
Deze opdracht is als volgt opgedeeld:
De totale uitgave voor deze opdracht wordt geraamd op 1 981 400 euro (excl. btw), hetzij 2 397 494 euro (incl. btw). De ramingen, in het bijzonder van de verlengingen, zijn exclusief prijsherzieningen.
Er wordt voorgesteld de opdracht te gunnen bij wijze van de openbare procedure.
De uitgave voor deze opdracht wordt aangerekend op rekening PB4-ACT19/0200-00/224007/IP-4 van het investeringskrediet.
Artikel 1
Het bestek met nr. 2971/05125 en de raming voor de opdracht ‘aanleg en heraanleg voetpaden op diverse plaatsen 2026-2027-2028-2029-2030’, opgesteld door de heer Dave Vanleeuwen, dienst Openbare Infrastructuur en Mobiliteit, worden goedgekeurd. De lastvoorwaarden worden vastgesteld zoals voorzien in het bestek en zoals opgenomen in de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten voor aannemingen van werken, leveringen en diensten. De raming bedraagt 1 981 400 euro (excl. btw), hetzij 2 397 494 euro (incl. btw). De ramingen, in het bijzonder van de verlengingen, zijn exclusief prijsherzieningen.
Artikel 2
Bovengenoemde opdracht wordt gegund bij wijze van de openbare procedure.
Artikel 3
De aankondiging van de opdracht wordt ingevuld, goedgekeurd en bekendgemaakt op nationaal niveau.
Raming: 428 581,60 euro (excl. btw), hetzij 517 308,62 euro (incl. btw).
Vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.
De gemeenteraad verleende in zitting van 13 juni 2024 goedkeuring aan de lastvoorwaarden, de raming en de plaatsingsprocedure van de opdracht 'optimaliseren parkeren Gullegem-Oost (parking Peperstraat, Bouwstraat en Krekkelaarstraat)'. Het college van burgemeester en schepenen plaatste deze opdracht in zitting van 14 augustus 2024 bij Greenconcepts bv met als onderaannemer Demey INFRAbureau bv.
In het kader van de opdracht 'parkings Gullegem-Oost (fase 1)' werd een bestek met nr. 24.56 opgesteld door Demey INFRAbureau bv.
De uitgave voor deze opdracht wordt geraamd op 428 581,60 euro (excl. btw), hetzij 517 308,62 euro (incl. btw).
Er wordt voorgesteld de opdracht te gunnen bij wijze van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.
De uitgave voor deze opdracht wordt aangerekend op rekening PB4-ACT40/0200-00/224007/IP-4 van het investeringskrediet.
Artikel 1
Het bestek met nr. 24.56 en de raming voor de opdracht 'parkings Gullegem-Oost (fase 1)', opgesteld door de ontwerper, Demey INFRAbureau bv, worden goedgekeurd. De lastvoorwaarden worden vastgesteld zoals voorzien in het bestek en zoals opgenomen in de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten voor aannemingen van werken, leveringen en diensten. De raming bedraagt 428 581,60 euro (excl. btw), hetzij 517 308,62 euro (incl. btw).
Artikel 2
Bovengenoemde opdracht wordt gegund bij wijze van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.
Artikel 3
De aankondiging van de opdracht wordt ingevuld, goedgekeurd en bekendgemaakt op nationaal niveau.
De samenwerkingsovereenkomst met de provincie West-Vlaanderen betreffende de aanleg van de (weg)infrastructuur op het bovenlokale functionele fietsroutenetwerk (fietsfonds), meer bepaald de aanleg van de fietssnelweg F375 gelegen tussen de Moorselestraat en Marktstraat wordt goedgekeurd.
De gemeenteraad keurde in zitting van 11 september 2020 de aankoop van de woning in de Moorselestraat 33 goed. De sloop van de woning zorgde ervoor dat er ruimte kwam voor de nieuwe fietssnelweg F375.
Het project is de eerste stap in de realisatie van een directe fiets(snelweg)verbinding tussen Menen, Wevelgem en Kortrijk. Lokaal in Wevelgem maakt het project het sport- en recreatiegebied het Sportspoor (voetbalvelden, sporthal, De Zwemkom, atletiekpiste, evenementenhal, …) vlotter en veiliger toegankelijk voor fietsers vanuit de omliggende woonwijken:
De gemeenteraad hechtte in zitting van 10 oktober 2024 haar goedkeuring aan de samenwerkingsovereenkomst met de provincie betreffende de aanleg van de fietssnelweg F375 gelegen langs de spoorlijn L69 (vak Moorselestraat – Marktstraat/Sportstraat). Deze samenwerkingsovereenkomst omschreef de wederzijdse engagementen betreffende de voorbereiding voor de realisatie van en de projectplanning voor dit dossier. Zoals bepaald in deze overeenkomst wordt de gunningsprocedure en uitvoering van de werken, alsook de verdeling van de uitgaven, nader geregeld in een (nieuwe) overeenkomst voor een gezamenlijke overheidsopdracht van werken, die wordt afgesloten op het moment van de voorlegging van het ontwerp en de wijze van gunnen aan de bevoegde bestuursorganen.
In dit verband werd een (nieuwe) samenwerkingsovereenkomst betreffende de aanleg van de (weg)infrastructuur op het bovenlokale functionele fietsroutenetwerk (fietsfonds) voorbereid waarin de wederzijdse verbintenissen van provincie en gemeente worden vastgelegd. Deze wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad. Ook Fluvius West is, gelet op de aanleg van openbare verlichting in dit project, partij in deze overeenkomst.
Aan de gemeenteraad van heden worden de opdrachtdocumenten voor de aanleg van de fietssnelweg voorgelegd. De openbare verlichting zal in een afzonderlijk aanbestedingsdossier opgenomen worden.
Bijkomend kan de gemeente, indien er een officiële fietssnelweg wordt gerealiseerd op een aangekocht perceel, een subsidie verkrijgen voor de aankoopprijs van de grond die nodig is voor de aanleg van de fietssnelweg. De subsidie voor de grondverwerving wordt aangevraagd bij Vlaanderen door de gemeente die zal optreden als aanbestedende overheid bij de aanleg van de fietssnelweg.
De aanleg van de fietsinfrastructuur (inclusief eraan gekoppelde randvoorzieningen zoals groenvoorziening, …) wordt integraal gefinancierd door de provincie en Vlaanderen:
Er wordt goedkeuring gegeven aan de samenwerkingsovereenkomst met de provincie West-Vlaanderen, in bijlage, betreffende de aanleg van de (weg)infrastructuur op het bovenlokale functionele fietsroutenetwerk (fietsfonds), meer bepaald de aanleg van de fietssnelweg F375 gelegen tussen de Moorselestraat en Marktstraat te Wevelgem.
Raming: 160 523,45 euro (excl. btw), hetzij 194 233,37 euro (incl. btw).
Openbare procedure.
De gemeenteraad hechtte in zitting van heden haar goedkeuring aan de samenwerkingsovereenkomst met de provincie West-Vlaanderen betreffende de aanleg van de (weg)infrastructuur op het bovenlokale functionele fietsroutenetwerk (fietsfonds), meer bepaald de aanleg van de fietssnelweg F375 gelegen tussen de Moorselestraat en Marktstraat te Wevelgem. Krachtens deze samenwerkingsovereenkomst treedt de gemeente Wevelgem op als aanbestedende overheid voor deze gezamenlijke opdracht.
In het kader van de opdracht 'aanleg fietssnelweg F375 - vak Marktstraat-Moorselestraat' werd een bestek met nr. 8/2024 opgesteld door de heer Peter Carette, provincie West-Vlaanderen.
De uitgave voor deze opdracht wordt geraamd op 160 523,45 euro (excl. btw), hetzij 194 233,37 euro (incl. btw).
Er wordt voorgesteld de opdracht te gunnen bij wijze van de openbare procedure.
Een deel van de uitgave wordt rechtstreeks betaald door de provincie West-Vlaanderen. Dit deel wordt geraamd op 97 116,69 euro (zijnde 50% van de geraamde uitgave).
Het deel, ten laste van de gemeente, komt in aanmerking voor een subsidie van het Vlaamse Gewest. Dit deel wordt geraamd op 97 116,69 euro (zijnde 50% van de geraamde uitgave).
De uitgave voor deze opdracht is voorzien op rekening PB4-ACT23/0200-00/224007/IP-4 van het investeringskrediet.
Artikel 1
Het bestek met nr. 8/2024 en de raming voor de opdracht 'aanleg fietssnelweg F375 - vak Marktstraat-Moorselestraat', opgesteld door de heer Peter Carette, provincie West-Vlaanderen, worden goedgekeurd. De lastvoorwaarden worden vastgesteld zoals voorzien in het bestek en zoals opgenomen in de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten voor aannemingen van werken, leveringen en diensten. De raming bedraagt 160 523,45 euro (excl. btw), hetzij 194 233,37 euro (incl. btw).
Artikel 2
Bovengenoemde opdracht wordt gegund bij wijze van de openbare procedure.
Artikel 3
Een subsidie zal aangevraagd worden bij de subsidiërende instantie, het Vlaamse Gewest.
Artikel 4
De aankondiging van de opdracht wordt ingevuld, goedgekeurd en bekendgemaakt op nationaal niveau.
De samenwerkingsovereenkomst met vzw Katholiek Basisonderwijs Gudenberg betreffende de realisatie van een multifunctionele duurzame groenzone op de site BaMo en aangrenzende publieke ruimte te Moorsele wordt goedgekeurd.
Vzw Katholiek Basisonderwijs Guldenberg diende eerder het project 'multifunctionele duurzame groenzone op de site BaMo te Moorsele' voor de projectoproep 'Natuur in je School 2022' in en haalde met haar ingediende project een projectfinanciering van maximaal 150 000 euro binnen.
Binnen de realisatie van de multifunctionele duurzame groenzone op de site BaMo en aangrenzende publieke ruimte is de gemeente, als beheerder van de publieke ruimte, een belangrijke betrokken partij. Beide partijen delen de ambitie om een duurzame groenzone te creëren. De school bevindt zich in het centrum van de deelgemeente Moorsele en zal met dit project een belangrijke schakel vormen in de ontwikkeling van nieuwe groenstructuren doorheen de gemeente. De gemeente heeft reeds een plan uitgewerkt (https://www.wevelgem.be/masterplanmoorsele) met als visie de leefkwaliteit van Moorsele te versterken door in te zetten op een aangename, bereikbare en groene leefomgeving. Dit project kan deze visie versterken. Concreet creëert dit project de mogelijkheid om een nieuwe schakel in het totaalplan te realiseren door trage wegen via de schoolsite met elkaar te verbinden. Ook staat de school centraal om deze visie te kunnen waarmaken. De evolutie leert dat er niet enkel les mag onderwezen worden vanop de schoolbanken maar dat scholen ook een interactie moeten zoeken met de omgeving.
Beide partijen streven een hoog kwaliteitsniveau na voor deze gekoppelde ontwikkelingen en realisaties. De gemeente en de school beschouwen de opdracht voor de aanleg van deze multifunctionele duurzame groenzone als één geïntegreerde opdracht. Beide trajecten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en dienen bijgevolg afgestemd te worden.
Door de school werd de ontwerpopdracht voor de realisatie van deze multifunctionele duurzame groenzone op de site BaMo en aangrenzende publieke ruimte als één ontwerpopdracht uitgeschreven. Binnen de gevoerde procedure werd de opdracht door het schoolbestuur (cfr. beslissing van het bestuursorgaan van 29 augustus 2023) geplaatst bij L.U.S.T architecten bv, Molenaarsstraat 111 bus 14, 9000 Gent – vertegenwoordigd door mevrouw Lieve Van De Ginste, ‘Lieve Landschap’. De keuze voor een gecoördineerd ontwerp en aanpak maakt het mogelijk een belangrijk beeld- en sfeerbepalend element te creëren in dit binnengebied waardoor een grotere kwaliteitssprong kan gerealiseerd worden.
De realisatie van een multifunctionele duurzame groenzone draagt bij aan volgende doelstellingen die de partijen samen willen uitdragen:
Op 29 mei 2024 heeft het college van burgemeester en schepenen kennis genomen van het schetsontwerp. Op basis van dit schetsontwerp werd het ontwerp verder verfijnd tot een definitief ontwerp, aanbestedingsbundel en kostenraming. De werkzaamheden m.b.t. het sanitair blok, de betonnen zittrap, luifel en fietsenberging (dewelke ook weergegeven zijn op het algemeen plan) zijn volledig ten laste van vzw Katholiek Basisonderwijs Guldenberg en maken verder geen deel uit van deze samenwerkingsovereenkomst.
Aangezien beide partijen van oordeel zijn dat de werken in het algemeen belang best gezamenlijk verder worden aangepakt, wordt een samenwerkingsovereenkomst opgemaakt waarin de wederzijdse verbintenissen voor de gezamenlijke realisatie van dit project vastgelegd zijn.
De gemeente geeft via deze samenwerkingsovereenkomst een mandaat aan vzw Katholiek Basisonderwijs Guldenberg om in gezamenlijke naam bij de gunning en de uitvoering van de opdrachten als aanbestedende overheid op te treden. Aan de gemeenteraad van heden worden de opdrachtdocumenten voor de realisatie van een multifunctionele duurzame groenzone op de site BaMo en aangrenzende publieke ruimte te Moorsele voorgelegd.
De samenwerkingsovereenkomst omschrijft tevens:
1/ Het aandeel in de uitgaven van het schoolbestuur en de gemeente Wevelgem m.b.t. de aanneming der werken. Hierin vallen drie zones te onderscheiden:
De verdeling van de uitgaven van de aanneming van de werken gebeurt op basis van de respectievelijke deelzones. De gemeente neemt de volledige aanleg van zones A en B ten laste, de school neemt de volledige aanleg van zone C ten laste.
2/ Het aandeel in de uitgaven en betaling ereloon ontwerpteam:
De kostenverdeling van het ereloon baseert zich op de eigendomsstructuur en/of het karakter die elke deelzone na de heraanleg zal krijgen (privaat ↔ openbaar) en wordt daarbij afgetoetst aan de werkelijke uitgaven van uitvoering. Naarmate het project vordert, zal de kostenraming op basis van de effectieve uitgaven van uitvoering worden bijgestuurd. Het ereloon wordt door het ontwerpteam rechtstreeks gefactureerd aan de school, die cfr. de vastgelegde afspraken binnen de samenwerkingsovereenkomst het kostenaandeel van de gemeente zal doorrekenen aan de gemeente. Het kostenaandeel voor de gemeente bedraagt 10% op de werkelijke uitgevoerde aanlegkost van de zones A en B.
3/ Het kostenaandeel m.b.t. de veiligheidscoördinatie:
Het kostenaandeel met betrekking tot het aanstellen en uitvoeren van de veiligheidscoördinatie-ontwerp en -verwezenlijking voor het geheel van de omgevingswerken, zullen verdeeld worden over beide partijen cfr. de verdeling van de kosten van het ereloon.
Verder omvat deze samenwerkingsovereenkomst ook een aantal concrete afspraken onder meer m.b.t. de leiding der werken, het toezicht der werken, eventuele wijzigingen tijdens de werken, waarborg, boetes en kortingen, betalingsvoorwaarden, voorlopige en definitieve oplevering, vrijgave borgtocht, ... Tot slot wordt ook de rol van beide partijen inzake het beheer van de nieuwe infrastructuur omschreven.
De totale uitgave voor de realisatie multifunctionele duurzame groenzone op site BAMO en aangrenzende publieke ruimte te Moorsele, omgevingswerken (perceel 1 (grondwerken) en perceel 3 (groenaanleg)) wordt geraamd op 391 088,41 euro (excl. btw).
Het aandeel in de uitgaven voor de gemeente, voortvloeiend uit deze samenwerkingsovereenkomst, wordt op basis van voorliggend ontwerp geraamd op:
- Voor het vast deel: 154 926,25 euro (excl. btw), hetzij 187 460,76 euro (incl. btw);
- Voor het voorwaardelijk deel: 17 935,61 euro (excl. btw), hetzij 21 702,09 euro (incl. btw), waarbij de uitvoering van het voorwaardelijk deel afhankelijk is van een afzonderlijke beslissing van de aanbestedende overheid.
Er wordt goedkeuring gegeven aan de samenwerkingsovereenkomst met vzw Katholiek Basisonderwijs Gudenberg, in bijlage, betreffende de realisatie van een multifunctionele duurzame groenzone op de site BaMo en aangrenzende publieke ruimte te Moorsele.
Raming gemeentelijk aandeel: 172 861,86 euro (excl. btw), hetzij 209 162,85 euro (incl. btw).
Vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.
De gemeenteraad hechtte in zitting van heden haar goedkeuring aan de samenwerkingsovereenkomst met vzw Katholiek Basisonderwijs Guldenberg betreffende de realisatie van een multifunctionele duurzame groenzone op de site BaMo en aangrenzende publieke ruimte te Moorsele. Krachtens deze samenwerkingsovereenkomst treedt vzw Katholiek Basisonderwijs Guldenberg op als aanbestedende overheid voor deze gezamenlijke opdracht.
De totale uitgave voor de realisatie multifunctionele duurzame groenzone op site BaMo en aangrenzende publieke ruimte te Moorsele, omgevingswerken (perceel 1 (grondwerken) en perceel 3 (groenaanleg)) wordt geraamd op 391 088,41 euro (excl. btw en excl. erelonen en veiligheidscoördinatie).
Het kostenaandeel voor de gemeente, voortvloeiend uit deze samenwerkingsovereenkomst, wordt op basis van voorliggend ontwerp geraamd op:
- Perceel 1 - grondwerken: voor het vast deel: 101 832,50 euro (excl. btw), hetzij 123 217,33 euro (incl. btw), voor het voorwaardelijk deel: 14 027,41 euro (excl. btw), hetzij 16 973,17 euro (incl. btw), waarbij de uitvoering van het voorwaardelijk deel afhankelijk is van een afzonderlijke beslissing van de aanbestedende overheid
- Perceel 3 - groenaanleg: voor het vast deel: 53 093,75 euro (excl. btw), hetzij 64 243,44 euro (incl. btw), voor het voorwaardelijk deel: 3 908,20 euro (excl. btw), hetzij 4 728,92 euro (incl. btw), waarbij de uitvoering van het voorwaardelijk deel afhankelijk is van een afzonderlijke beslissing van de aanbestedende overheid.
De totale uitgave voor de realisatie multifunctionele duurzame groenzone op site BAMO en aangrenzende publieke ruimte te Moorsele, omgevingswerken (perceel 1 (grondwerken) en perceel 3 (groenaanleg)) wordt geraamd op 391 088,41 euro (excl. btw).
Het aandeel in de uitgaven voor de gemeente, voortvloeiend uit deze samenwerkingsovereenkomst, wordt op basis van voorliggend ontwerp geraamd op:
- Voor het vast deel: 154 926,25 euro (excl. btw), hetzij 187 460,76 euro (incl. btw);
- Voor het voorwaardelijk deel: 17 935,61 euro (excl. btw), hetzij 21 702,09 euro (incl. btw), waarbij de uitvoering van het voorwaardelijk deel afhankelijk is van een afzonderlijke beslissing van de aanbestedende overheid.
Neemt kennis van de opdrachtdocumenten voor perceel 1 (grondwerken) en perceel 3 (groenaanleg voor de realisatie multifunctionele duurzame groenzone op site BaMo en aangrenzende publieke ruimte te Moorsele), opgesteld door mevrouw Lieve Van De Ginste voor L.U.S.T. Architecten bv, ontwerper aangesteld door de aanbestedende overheid, vzw Katholiek Basisonderwijs Guldenberg.
In uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst betreffende realisatie multifunctionele duurzame groenzone op site BaMo en aangrenzende publieke ruimte te Moorsele, zoals goedgekeurd in zitting van heden, hecht de gemeenteraad haar goedkeuring aan deze opdrachtdocumenten.
Raming: 476 232,50 euro (excl. btw), hetzij 576 241,33 euro (incl. btw).
Vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.
De gemeenteraad keurde in zitting van 13 november 2025 de dading houdende gedeeltelijke pachtbeëindiging, ruilpacht en nieuwe pachtovereenkomst goed en dit in functie van het vrijmaken van de gronden bestemd voor de aanleg van een hondenloopweide, meer bepaald het gedeelte van de percelen met nrs. 1028A en 1043H, zijnde lot 2 (zoals weergegeven op het afbakeningsplan hoek Gullegemstraat-Bieststraat van landmeter-expert Koen Roelandt van 15 september 2025.
In het kader van de opdracht ‘aanleg hondenloopweide’ werd een bestek met nr. 2996/07625 opgesteld door de heer Xuân-Vinh Nguyên, dienst Openbaar Groen en Netheid.
De uitgave voor deze opdracht wordt geraamd op 476 232,50 euro (excl. btw), hetzij 576 241,33 euro (incl. btw).
Er wordt voorgesteld de opdracht te gunnen bij wijze van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.
De uitgave wordt aangerekend op rekening PB4-ACT38/0680-00/220007/IP-4 van het investeringskrediet.
Artikel 1
Het bestek met nr. 2996/07625 en de raming voor de opdracht ‘aanleg hondenloopweide’, opgesteld door de heer Xuân-Vinh Nguyên, dienst Openbaar Groen en Netheid, worden goedgekeurd. De lastvoorwaarden worden vastgesteld zoals voorzien in het bestek en zoals opgenomen in de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten voor aannemingen van werken, leveringen en diensten. De raming bedraagt 473 851,30 euro (excl. btw), hetzij 573 360,07 euro (incl. btw).
Artikel 2
Bovengenoemde opdracht wordt gegund bij wijze van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.
Artikel 3
De aankondiging van de opdracht wordt ingevuld, goedgekeurd en bekendgemaakt op nationaal niveau.
Goedkeuring wordt verleend aan verrekening nr. 4 van de opdracht 'onderhouds- en herstellingswerken riolering 2024'.
Het college van burgemeester en schepenen verleende in zitting van 27 maart 2024 goedkeuring aan de gunning van de opdracht 'onderhouds- en herstellingswerken riolering 2024' aan Ockier Wegenbouw nv, Noordlaan 18 te 8520 Kuurne, tegen het nagerekende en verbeterde offertebedrag van 68 405 euro (excl. btw).
De uitvoering moet gebeuren overeenkomstig de lastvoorwaarden, vastgelegd in het bestek met nr. 2835/09523.
Het college van burgemeester en schepenen verleende in zitting van 4 september 2024 goedkeuring aan verrekening nr. 1 voor een bedrag in meer van 9,39 euro (excl. btw).
Het college van burgemeester en schepenen verleende in zitting van 11 september 2024 goedkeuring aan verrekening nr. 2 voor een bedrag in meer van 0,29 euro (excl. btw).
Het college van burgemeester en schepenen verleende in zitting van 27 mei 2025 goedkeuring aan verrekening nr. 3 voor een bedrag in min van 1,25 euro (excl. btw).
Tijdens de uitvoering van de opdracht bleek dat het noodzakelijk was om volgende wijzigingen aan te brengen:
| HV in meer |
|
€ 44 994,64 |
| HV in min |
- |
€ 1 950 |
| Bijwerken |
+ |
€ 10 268,87 |
| TOTAAL |
= |
€ 53 313,51 |
Motivatie verrekening
De aard van de opdracht betreft het onderhoud en herstel van de riolering. De aanleiding voor deze verrekening is een reeks interventies waarbij een dringende tussenkomst aan de riolering door de betrokken aannemer vereist was.
De verschillende opdrachten binnen dit bestek komen voort uit calamiteiten in de riolering. Deze situaties doen zich doorgaans voor tijdens periodes van intense of langdurige neerslag, waarbij overlast ontstaat op het openbaar domein en bij omwonenden. Het gaat hoofdzakelijk om complexe ingrepen om structurele problemen van diverse aard te verhelpen, waarvan de concrete inzet onmogelijk volledig kan worden opgenomen in een overheidsopdracht. Deze omstandigheden dienen zich steeds onverwacht aan en vereisen doeltreffend en snel ingrijpen om erger te voorkomen.
Verrekening nr. 5 omvat zowel de overschreden voorziene posten als de noodzakelijke onvoorziene werken van de laatste tussenkomsten binnen de drie deelgemeenten. Het grootste gewicht situeert zich bij de verschillende uurprestaties van interventies in de Wijnbergstraat en bij verschillende aansluitingen in de Kortrijkstraat.
De Wijnbergstraat is een overstromingsgevoelige omgeving met een ouder rioolstelsel. Het beheerde hoofdriool ligt in de rijweg, maar veel woningen zijn nog gemeenschappelijk aangesloten in de voetpadstrook. Deze afvoeren werden destijds ondiep aangelegd in dunne betonbuizen Ø300 en sluiten gravitair aan op de hoofdriolering. In de Wijnbergstraat bleek na de wateroverlast van eind juni 2025 dat het noodzakelijk was om alle woningen van huisnummer 104 tot en met 120 over te koppelen en rechtstreeks aan te sluiten op de riolering in de rijweg. Het betrof een structureel falende aansluiting die zeer ondiep gelegen lag.
In de Kortrijkstraat werd gewerkt aan de aansluitingen ter hoogte van de nummers 57, 145, 147 en 149. In deze drukke omgeving zijn de werken complex. Rioolaansluitingen liggen diep en kruisen een belangrijke (en gevoelige) doorvoerleiding van het leidingwater. Na verschillende intense buien, gevolgd door meerdere tussenkomsten van eigen personeel, bleek structureel herstel door de externe aannemer noodzakelijk.
Verdere noemenswaardige werken binnen deze opdracht, waren het herstellen van riolering op verschillende locaties waar zinkgaten voorkwamen en het vervangen van 50 m riolering in de Bissegemstraat. In de Ieperstraat werden terugslagkleppen in de riolering geplaatst om de afvoerproblemen en overstortwerking tijdens terugkerende wateroverlast te temperen.
Deze verrekening, tevens eindafrekening, en de vorige reeds goedgekeurde verrekeningen overschrijden het bestelbedrag met 77,95% (excl. btw, excl. prijsherzieningen).
Het totale bestelbedrag na verrekeningen bedraagt 121 726,94 euro (excl. btw).
Voor deze verrekening wordt geen termijnverlenging toegekend.
De leidend ambtenaar, de heer Gilles Parent, dienst Openbare Infrastructuur en Mobiliteit, verleende gunstig advies.
De uitgave voor deze verrekening wordt aangerekend op rekening 0310-00/227007/IP-OVERIG van het investeringskrediet.
Een visum van de financieel directeur is vereist.
Goedkeuring wordt verleend aan verrekening nr. 4 van de opdracht 'onderhouds- en herstellingswerken riolering 2024', voor het totaal bedrag in meer van 53 313,51 euro (excl. btw). De werken bereikten een eindtotaal van 121 726,94 euro (excl. btw).
Het aangepaste meerjarenplan 2020-2025 (2025) nr. 3, deel gemeente, wordt vastgesteld.
Het betreft de vaststelling van de wijziging aan het geïntegreerd meerjarenplan 2020-2025.
Het voorstel tot aanpassing van het meerjarenplan 2020-2025 werd besproken op het managementteam van 18 november 2025.
In deze aanpassing van meerjarenplan 2020-2025 wordt vooral beoogd om het beschikbaar budgettair resultaat voor 2025 zo goed mogelijk te laten aansluiten met de realiteit gezien de reserves eind 2025 aan de basis liggen voor het nieuwe meerjarenplan 2026-2031. In deze aanpassing van het meerjarenplan:
Er worden geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht in de strategische nota. Daarnaast worden de kredieten voor 2026 en 2027 in deze aanpassing van het meerjarenplan niet verder bijgesteld, aangezien deze integraal deel uitmaken van het nieuwe meerjarenplan 2026-2031.
Artikel 1
De financiële nota van het aangepaste meerjarenplan 2020-2025 (2025) nr. 3 kent volgende (geconsolideerde) resultaten voor het boekjaar 2025:
| Beschikbaar budgettair resultaat | 20 221 764 euro |
| Autofinancieringsmarge | 2 045 665 euro |
| Gecorrigeerde autofinancieringsmarge | 3 268 259 euro |
Artikel 2
De gemeenteraad stelt het aangepaste meerjarenplan 2020-2025 (2025) nr. 3 (deel gemeente) vast. De gemeenteraad wijzigt de kredieten van boekjaar 2025 voor het gedeelte van de gemeente.
Het geïntegreerde aangepaste meerjarenplan 2020-2025 (2025) nr. 3 wordt in zijn geheel definitief vastgesteld.
De gemeenteraad van heden stelde de meerjarenplanaanpassing 2020-2025 (2025) nr. 3 voor het deel van de gemeente vast.
De raad voor maatschappelijk welzijn stelde de meerjarenplanaanpassing 2020-2025 (2025) nr. 3 voor het deel van het OCMW vast.
Artikel 1
Het deel van de meerjarenplanaanpassing 2020-2025 (2025) nr. 3, zoals vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn in zitting van 11 december 2025, wordt goedgekeurd.
Hierdoor is de wijziging aan de aanpassing van het meerjarenplan in zijn geheel definitief vastgesteld.
Artikel 2
De financiële nota van het aangepaste meerjarenplan 2020-2025 (2025) nr. 3 kent volgende (geconsolideerde) resultaten voor het boekjaar 2025:
| Beschikbaar budgettair resultaat | 20 221 764 euro |
| Autofinancieringsmarge | 2 045 665 euro |
| Gecorrigeerde autofinancieringsmarge | 3 268 259 euro |
Het meerjarenplan 2026-2031, deel gemeente, wordt vastgesteld.
Het betreft de vaststelling van het geïntegreerd meerjarenplan 2026-2031.
Het voorstel tot meerjarenplan 2026-2031 werd besproken op het managementteam van 19 november 2024, 10 juni 2025, 19 augustus 2025, 21 oktober 2025, 4 november 2025 en 18 november 2025.
Artikel 1
De financiële nota van het meerjarenplan 2026-2031 kent volgende (geconsolideerde) resultaten:
Beschikbaar budgettair resultaat
| 2026 | 12 024 833,00 |
| 2027 | 3 642 903,00 |
| 2028 | 1 751 755,00 |
| 2029 | 3 057 702,00 |
| 2030 | 5 809 721,00 |
| 2031 | 9 051 051,00 |
Autofinancieringsmarge
| 2026 | 1 566 276,00 |
| 2027 | 2 909 532,00 |
| 2028 | 2 551 650,00 |
| 2029 | 3 303 774,00 |
| 2030 | 4 379 611,00 |
| 2031 | 2 570 779,00 |
Gecorrigeerde autofinancieringsmarge
| 2026 | 3 065 198,00 |
| 2027 | 4 468 263,00 |
| 2028 | 3 735 709,00 |
| 2029 | 3 909 043,00 |
| 2030 | 4 951 495,00 |
| 2031 | 2 469 724,00 |
Artikel 2
De gemeenteraad stelt het meerjarenplan 2026-2031 (deel gemeente) vast. De gemeenteraad stelt de kredieten van het boekjaar 2026 voor het gedeelte van de gemeente vast.
Het geïntegreerde meerjarenplan 2026-2031 wordt in zijn geheel definitief vastgesteld.
De gemeenteraad van heden stelde het meerjarenplan 2026-2031 voor het deel van de gemeente vast.
De raad voor maatschappelijk welzijn stelde het meerjarenplan 2026-2031 voor het deel van het OCMW vast.
Artikel 1
Het deel van het meerjarenplan 2026-2031, zoals vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn in zitting van 11 december 2025, wordt goedgekeurd.
Hierdoor is het meerjarenplan 2026-2031 in zijn geheel definitief vastgesteld.
Artikel 2
De financiële nota van het meerjarenplan 2026-2031 kent volgende (geconsolideerde) resultaten:
Beschikbaar budgettair resultaat
| 2026 | 12 024 833,00 |
| 2027 | 3 642 903,00 |
| 2028 | 1 751 755,00 |
| 2029 | 3 057 702,00 |
| 2030 | 5 809 721,00 |
| 2031 | 9 051 051,00 |
Autofinancieringsmarge
| 2026 | 1 566 276,00 |
| 2027 | 2 909 532,00 |
| 2028 | 2 551 650,00 |
| 2029 | 3 303 774,00 |
| 2030 | 4 379 611,00 |
| 2031 | 2 570 779,00 |
Gecorrigeerde autofinancieringsmarge
| 2026 | 3 065 198,00 |
| 2027 | 4 468 263,00 |
| 2028 | 3 735 709,00 |
| 2029 | 3 909 043,00 |
| 2030 | 4 951 495,00 |
| 2031 | 2 469 724,00 |
De opcentiemen op de onroerende voorheffing voor aanslagjaar 2026 worden vastgesteld op 1 133,50 opcentiemen voor het gewone KI (codes 1 (F,K,L,P) en 2 (F,K,L,P)). Voor het KI nijverheid en materiaal en outillage (codes 3 (F,K,L,P), 4 (F,K,L,P), 5 (F,K,L,P) en 6 (F,K,L,P)) wordt het tarief bepaald op 1 250 opcentiemen.
Sinds het aanslagjaar 2019 biedt het Vlaams gewest gemeenten de mogelijkheid om de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing te differentiëren binnen hun grondgebied. Hierdoor kan de gemeente verschillende tarieven toepassen op diverse categorieën van onroerende goederen, afhankelijk van hun aard en bestemming.
Gemeenten kunnen aldus verschillende tarieven vaststellen voor onderscheiden categorieën van belastbare kadastrale inkomens, mits deze categorieën overeenstemmen met de codes die de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL) hanteert.
De gemeente wenst van deze mogelijkheid gebruik te maken om de lokale fiscaliteit beter af te stemmen op de economische realiteit en om de stijgende kosten op een evenwichtige manier op te vangen.
Er wordt voorgesteld vanuit het college van burgemeester en schepenen om de bestaande gemeentebelasting op bedrijven af te schaffen, er wordt in die zin geen toegelicht voorstel van beslissing voor hervaststelling van deze belasting voorgelegd aan de gemeenteraad.
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven is het noodzakelijk het inkomstenverlies van de gemeentebelasting op bedrijven te recupereren om het financieel evenwicht te handhaven.
Er wordt gekozen om de opcentiemen op de onroerende voorheffing te differentiëren. Op die manier kan de nodige compensatie gerealiseerd worden zonder de belastingdruk voor gezinnen te verhogen. Het huidige tarief voor particuliere woningen en gronden blijft behouden, terwijl enkel de categorieën van onroerende goederen die verband houden met nijverheid en materieel & outillage een beperkte verhoging kennen.
De differentiatie zorgt ervoor dat de extra fiscale bijdrage wordt gedragen door de categorieën van onroerende goederen die economisch rendement genereren en doorgaans een grotere impact hebben op de gemeentelijke infrastructuur en dienstverlening.
Hiermee wordt een evenwichtige en sociaal verantwoorde verdeling van de fiscale lasten nagestreefd: particuliere eigenaars en landbouwers behouden hun huidige tarief, terwijl de bedrijfssector een beperkte maar redelijke verhoging draagt.
Deze maatregel heeft bovendien als voordeel dat de administratieve last voor de gemeentelijke diensten aanzienlijk vermindert. De inning van de onroerende voorheffing verloopt immers volledig via VLABEL, waardoor de gemeente wordt ontlast van de eigen heffing, opvolging en invordering van de vroegere bedrijfsbelasting.
Door deze aanpassing wordt de lokale fiscaliteit eenvoudiger, transparanter en rechtvaardiger: gezinnen worden beschermd, ondernemingen dragen een redelijke bijdrage, en de gemeentelijke administratie wordt vereenvoudigd.
Het tarief voor het gewone KI (kadastraal inkomen) (andere dan nijverheid, codes 1 (F,K,L,P) en 2 (F,K,L,P)) blijft vastgesteld op 1 133,50 opcentiemen.
Het differentiatiecriterium is eenduidig en betreft de als industrie gebouwde en ongebouwde kadastrale inkomens inclusief materieel en outillage. Voor het KI nijverheid en materiaal en outillage (codes 3 (F,K,L,P), 4 (F,K,L,P), 5 (F,K,L,P) en 6 (F,K,L,P)) wordt het tarief bepaald op 1 250 opcentiemen.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/730000 van het exploitatiekrediet.
Artikel 1
Voor het aanslagjaar 2026 worden ten behoeve van de gemeente opcentiemen op de onroerende voorheffing gevestigd als volgt:
Artikel 2
De vestiging en de inning van de gemeentelijke opcentiemen zullen door het toedoen van de Vlaamse Belastingdienst geschieden, zoals bepaald in artikel 3.1.0.0.4 van het decreet houdende de Vlaamse codex fiscaliteit.
De aanvullende belasting op de personenbelasting voor aanslagjaar 2026 wordt vastgesteld op 6,8%.
Het huidige reglement op de aanvullende personenbelasting eindigt op 31 december 2025 en moet bijgevolg opnieuw vastgesteld worden. De financiële toestand van de gemeente vergt de invoering van alle rendabele belastingen. Het verder innen van deze belasting is noodzakelijk om het financiële evenwicht te verzekeren.
Voor 2026 is geen aanpassing van het tarief voorzien. Het tarief blijft behouden op 6,8%.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/730100 van het exploitatiekrediet.
Artikel 1
Voor het aanslagjaar 2026 wordt een aanvullende belasting op de personenbelasting gevestigd ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van het aanslagjaar.
Artikel 2
De belasting wordt vastgesteld op 6,8% van de overeenkomstig artikel 466 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 berekende grondslag voor hetzelfde aanslagjaar. Die belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het aanslagjaar voorafgaande jaar.
Artikel 3
De vestiging en de inning van de gemeentelijke belasting zullen door het toedoen van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen en deze belast met de inning en de invordering van inkomstenbelastingen geschieden, zoals bepaald in artikel 469 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Het reglement houdende de algemene gemeentebelasting gezinnen wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2019 verstrijkt de geldigheidsduur van het belastingreglement algemene gemeentebelasting gezinnen. Het is aangewezen dit belastingreglement opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Het gemeentebestuur heeft tot taak bij te dragen tot het welzijn van de burgers en tot de duurzame ontwikkeling van het gemeentelijk beleid. Aan deze taak zijn heel wat uitgaven verbonden. Het is dan ook redelijk en billijk om een deel van deze uitgaven te spreiden over de volledige bevolking.
Aangezien de belasting gericht is op een rechtmatige verdeling van de belastingdruk is het verantwoord de inkomsten te genereren bij (meer) draagkrachtige belastingplichtigen. Dit enerzijds door een vrijstelling te voorzien voor gezinnen die als economisch zwakker kunnen beschouwd worden en anderzijds door een lager tarief te voorzien voor gezinnen die het economisch moeilijker hebben, nl. alleenstaanden en eenoudergezinnen, waarbij deze worden gedefinieerd op een administratief eenvoudige manier om de administratieve last bij de gezinnen en bij de gemeentelijke diensten te beperken. Dit kadert in een sociale doelstelling.
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren.
De belastingbedragen worden ook geïndexeerd om een antwoord te bieden op prijsevoluties in de algemene uitgaven.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/738010 van het exploitatiekrediet 2026–2031.
Artikel 1
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een algemene gemeentebelasting geheven ten laste van de gezinnen die in de gemeente Wevelgem hun hoofdverblijfplaats hebben op 1 januari van het aanslagjaar.
Artikel 2
§1. Onder gezin wordt verstaan, overeenkomstig de omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister:
§2. Onder hoofdverblijfplaats wordt verstaan, overeenkomstig voormelde omzendbrief van 7 oktober 1992:
Artikel 3
De gezinssituatie en de hoofdverblijfplaats op 1 januari van het aanslagjaar blijken uit zowel de bevolkings- en vreemdelingenregisters van de gemeente als uit het rijksregister van de natuurlijke personen.
Artikel 4 
§1. De belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar en bedraagt:
a) 75 euro voor een gezin dat bestaat uit één persoon die gewoonlijk alleen leeft.
b) 75 euro voor een éénoudergezin, zijnde een gezin dat bestaat uit één ouder die samenleeft met ten minste één kind dat op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 26 jaar nog niet heeft bereikt.
c) 100 euro voor een gezin dat bestaat uit een vereniging van twee of meer personen, die al dan niet door verwantschap aan elkaar verbonden, gewoonlijk in één en dezelfde woning verblijven en er samenleven met uitzondering van de in b) bedoelde éénoudergezinnen.
§2. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule:
Het verschuldigde bedrag wordt afgerond op de eenheid volgens de wiskundige afrondingsregels: bedragen van 0,50 euro en hoger worden naar boven afgerond, bedragen lager dan 0,50 euro worden naar beneden afgerond.
Artikel 5 Belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de referentiepersoon van het gezin, bedoeld in voormelde omzendbrief van 7 oktober 1992, dat is het gezinslid dat gewoonlijk met de administratie in contact staat voor de aangelegenheden die het gezin betreffen.
Artikel 6
Een gezin is vrijgesteld van belasting als de referentiepersoon van het gezin op 1 januari van het aanslagjaar recht heeft op maatschappelijke integratie (leefloon) op basis van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (en latere wijzigingen) of steun ontvangt van een OCMW die geheel of gedeeltelijk ten laste wordt genomen door de federale staat.
Artikel 7 
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen. 
Artikel 8
Dit belastingreglement treedt in werking vanaf 1 januari 2026 en is geldig tot en met 31 december 2031.
Het belastingreglement op tweede verblijven wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het belastingreglement op tweede verblijven. Het is aangewezen dit belastingreglement opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Houders van een zakelijk recht op een onroerend goed dienstig voor bewoning op het grondgebied van de gemeente Wevelgem waarvoor niemand is ingeschreven in het bevolkingsregister, genieten (rechtstreeks of onrechtstreeks) mee van de gemeentelijke dienstverlening, net zoals woonentiteiten waar wel personen gedomicilieerd zijn. Die woonentiteiten geven immers evenzeer aanleiding tot kosten die door de gemeente worden gedragen inzake investeringen (onder andere in openbaar domein, openbare dienstverlening, veiligheid, administratie en afvalbeheersing). Het is dan ook redelijk en billijk dat zij bijdragen in de kosten die hieraan verbonden zijn. Aangezien de zakelijk gerechtigde gekend is en deze ook kan beslissen over de aanwending van zijn onroerend goed lijkt het aangewezen om de zakelijk gerechtigde van het tweede verblijf aan te duiden als belastingplichtige.
Door het heffen van een belasting op tweede verblijven wenst de gemeente trouwens ook het residentieel wonen binnen de gemeente te beschermen en de sociale cohesie in de gemeente te versterken.
De vrijstellingen voorzien in huidig reglement sluiten het dichtst aan bij de noden van het beleid. De vrijstelling voor lokalen die uitsluitend bestemd zijn voor het uitoefenen van een beroepsactiviteit, is verantwoord gelet op het hoger genoemde doel van de belasting om het residentieel wonen optimaal te benutten en dergelijke lokalen dit doel niet verhinderen. De vrijstelling voor woningen die opgenomen zijn op het gemeentelijk leegstandsregister is gerechtvaardigd aangezien deze reeds worden belast in het kader van de belasting op leegstaande woningen en gebouwen.
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren. De belastingbedragen worden ook geïndexeerd om een antwoord te bieden op prijsevoluties in de algemene uitgaven.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/737500 van het exploitatiekrediet 2026-2031.
Artikel 1
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een jaarlijkse belasting geheven ten laste van de belastingplichtigen die op 1 januari van het aanslagjaar een of meerdere tweede verblijven op het grondgebied van de gemeente Wevelgem hebben.
Artikel 2
§1. Onder tweede verblijf wordt verstaan elke woongelegenheid die geen hoofdverblijf is maar die wel op elk moment kan worden gebruikt voor bewoning of verblijfsgelegenheid, al dan niet permanent. Een verklaring van hoofdverblijf wordt enkel aanvaard wanneer het gedekt is door een inschrijving in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister of wachtregister van de gemeente Wevelgem op 1 januari van het aanslagjaar.
Het kan hierbij gaan om landhuizen, bungalows, villa’s, appartementen, studio’s, weekendhuisjes, vakantiewoningen, optrekken en elke andere vaste inrichting of constructie, met inbegrip van de met chalets gelijkgestelde caravans, zelfs uit niet-duurzame materialen, die in de grond is ingebouwd, aan de grond is bevestigd of op de grond steun vindt, ten behoeve van de stabiliteit en bestemd is om ter plaatse te blijven staan, al kan zij ook uit elkaar genomen of verplaatst worden en ongeacht of ze al dan niet zijn ingeschreven in de kadastrale legger.
§2. Het betreft niet de lokalen uitsluitend bestemd voor het uitoefenen van een beroepsactiviteit en die, door hun inrichting, niet onmiddellijk in aanmerking komen voor bewoning.
§3. Worden niet als tweede verblijf beschouwd de woningen die opgenomen zijn in het gemeentelijk leegstandsregister.
Artikel 3
De jaarlijkse belasting is forfaitair vastgesteld op 1 000 euro per tweede verblijf.
De belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar.
Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule:
Het verschuldigde bedrag wordt afgerond op de eenheid volgens de wiskundige afrondingsregels: bedragen van 0,50 euro en hoger worden naar boven afgerond, bedragen lager dan 0,50 euro worden naar beneden afgerond.
Artikel 4
§1. Als belastingplichtige wordt beschouwd, de natuurlijke of rechtspersoon die op 1 januari van het aanslagjaar houder is van één van de hierna vermelde zakelijke rechten op het tweede verblijf:
- de volle eigendom,
- het recht van opstal of van erfpacht,
- het vruchtgebruik.
Zijn belastingplicht geldt ook wanneer het tweede verblijf verhuurd wordt of door een derde feitelijk gebruikt wordt.
§2. Ingeval van overdracht van het zakelijk recht onder levenden, is de nieuwe zakelijk gerechtigde de belasting verschuldigd met ingang van 1 januari volgend op de datum van de authentieke akte van overdracht.
De overdrager is verplicht dit binnen de twee maanden na de datum van de authentieke akte te melden aan de gemeente (via de in artikel 5, §3. vermelde kanalen) door volgende gegevens mee te delen:
a) volledige identiteit en adres van de overnemer
b) datum van de akte en naam van de notaris
c) nauwkeurige aanduiding van het betreffende perceel.
§3. In het geval van onverdeeldheid van voormeld zakelijk recht is iedere niet-vrijgestelde deelgenoot belastingplichtig in verhouding tot zijn deel in het tweede verblijf, evenwel zijn zij hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting.
Artikel 5
§1. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, zoals omschreven in artikel 4, is verplicht jaarlijks een aangifte te doen bij het college van burgemeester en schepenen van het tweede verblijf zoals bedoeld in artikel 2. De aangifte moet gebeuren uiterlijk op 30 juni van elk aanslagjaar op een door het gemeentebestuur voorgeschreven aangifteformulier.
Een belastingplichtige die niet spontaan een aangifteformulier gekregen heeft, kan dit op eenvoudig verzoek bekomen. De belastingplichtige blijft in elk geval verantwoordelijk om de aangifte te doen uiterlijk op 30 juni van het aanslagjaar.
§2. De belastingplichtige is vrijgesteld van aangifteplicht indien hij voor het vorige aanslagjaar werd aangeslagen en indien de belastbare toestand ongewijzigd is gebleven. De initiële aangifte blijft dan geldig tot herziening.
§3. De aangiftes kunnen via één van de volgende kanalen gebeuren:
- per e-mail: belastingen@wevelgem.be,
- per post: college van burgemeester en schepen, Vanackerestraat 16, 8560 Wevelgem,
- per elektronische weg andere dan e-mail indien een daartoe strekkend elektronisch platform ter beschikking wordt gesteld door de gemeente.
Artikel 6
Als er geen, geen juiste of geen volledige aangifte is gedaan voor de aangiftedatum wordt de belastingplichtige ambtshalve belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht tot bezwaar en beroep.
Artikel 7
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 8
Dit belastingreglement treedt in werking vanaf 1 januari 2026 en is geldig tot en met 31 december 2031.
Het belastingreglement inzake groen bij verkavelingen en groepswoningbouwprojecten wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het belastingreglement inzake groen bij verkavelingen en groepswoningbouwprojecten. Het is aangewezen dit belastingreglement opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (GRSP) geeft aan dat voor nieuwe verkavelingen de gemeente steeds kan vragen een groenzone te voorzien waarbij als richtlijn voor grote verkavelingen 45 m² groen per woongelegenheid wordt gehanteerd (pag. 96 GRSP).
De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening stipuleert: 'voor een aanzienlijk project dient elke vergunde, binnen dit project, een perceel voor nuttig groen van 45 m² per wooneenheid te voorzien'.
De woonprogrammatie maakt voor verkavelingen of projecten voor groepswoningbouw een onderscheid waar er wel en waar er geen nuttig groen dient te worden voorzien.
Verkavelingen of projecten groepswoningbouw hebben een aanzienlijke impact op de onmiddellijke en ruimere omgeving. De gemeente is hierdoor genoodzaakt om aangepaste maatregelen te nemen. Ook moet de gemeente bijkomende infrastructuur voorzien met het oog op uitrusting en verfraaiing van het openbaar domein.
Het is dan ook redelijk en billijk om de verkavelaars te laten bijdragen in de extra lasten die deze voorzieningen met zich meebrengen. Deze last wordt ook opgelegd aan verkavelingen of projecten groepswoningbouw van beperktere omvang.
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren. De belastingbedragen worden ook geïndexeerd om een antwoord te bieden op prijsevoluties in de algemene uitgaven.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening PB4-ACT13/0020-00/737910 van het exploitatiekrediet 2026-2031.
Artikel 1
Voor een termijn eindigend op 31 december 2031 wordt een belasting inzake groen bij verkavelingen en groepswoningbouwprojecten geheven als bijdrage in de algemene kosten voor de verdere uitrusting en verfraaiing van het openbaar domein.
Artikel 2
1) Vergunde: de natuurlijke of rechtspersoon op wiens naam een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of een omgevingsvergunning voor een project voor groepswoningbouw wordt afgeleverd met uitsluiting van de woonmaatschappij of het OCMW.
2) Netto verkoopbare oppervlakte: effectief te vermarkten grond bij een project.
3) Aanzienlijk project:
a) een verkaveling van minstens 10 loten of een halve hectare.
b) een project groepswoningbouw van minstens 10 wooneenheden.
c) een verkaveling of groepswoningbouwproject die/dat niet onder voorgaande criteria valt en waarvoor een vergunning wordt aangevraagd en die aansluit op door dezelfde aanvrager te ontwikkelen of ontwikkelde gronden die samen met de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, een oppervlakte van meer dan een halve hectare beslaan.
Artikel 3
§1. De belasting wordt vastgesteld op 6 euro per m² netto verkoopbare oppervlakte van het project in kwestie.
§2. Wanneer voor een aanzienlijk project geen groen moet worden voorzien conform de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening, wordt de verschuldigde belasting verhoogd met een bedrag van 3 euro per m² netto verkoopbare oppervlakte.
§3. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule:
Het totaal verschuldigde bedrag wordt afgerond op de eenheid volgens de wiskundige afrondingsregels: bedragen van 0,50 euro en hoger worden naar boven afgerond, bedragen lager dan 0,50 euro worden naar beneden afgerond.
Artikel 4
De belasting is verschuldigd door de vergunde.
Artikel 5
De belasting wordt contant ingevorderd tegen afgifte van een betalingsbewijs.
Bij gebrek aan betaling binnen een periode van 3 maanden na het afleveren van de vergunning bedoeld in artikel 2, 1), wordt de belasting ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 6
§1. Deze beslissing treedt in werking op 1 januari 2026 en is van toepassing op de omgevingsvergunningen (zoals bedoeld in artikel 2) die worden afgeleverd vanaf 1 januari 2026.
§2. Dit belastingreglement is geldig voor een termijn eindigend op 31 december 2031.
Het belastingreglement voor panden die beschouwd worden als leegstaand wordt vastgesteld.
De Vlaamse Codex Wonen stelt sedert 2021 de gemeente aan als coördinator en regisseur van het lokale woonbeleid.
Op 31 december 2025 loopt het huidige belastingreglement voor panden opgenomen in het leegstandsregister af.
De gemeente wil verder inzetten op een kwalitatieve, toegankelijke, betaalbare en aantrekkelijke woonmarkt. Daarom is het wenselijk dat het bestaande gebouwen- en woningbestand maximaal gebruikt wordt, en dit effectief en bij voorkeur volgens hun functie.
Leegstaande panden halen het imago van en de leefkwaliteit binnen de gemeente naar beneden. Leegstand zorgt ook voor een verhoogd onveiligheidsgevoel en is een makkelijk mikpunt voor vandalisme en vervuiling. Dit vraagt een hogere inzet van politie- en veiligheidsdiensten. Wat ook zorgt voor extra opdrachten voor de gemeente met de bijhorende kosten.
Leegstaande woningen en gebouwen in de gemeente verhogen onnodig het ruimtebeslag, terwijl de ecologische en maatschappelijke druk steeds groter wordt om hier zuinig mee om te gaan.
De verslechtering van de kwaliteit van woningen en gebouwen moet voorkomen worden om de verloedering van de leef- en woonomgeving tegen te gaan. Langdurige leegstand van woningen en gebouwen moet dan ook voorkomen en bestreden worden.
De strijd tegen leegstaande woningen en gebouwen zal maar een effect hebben als de opname in het leegstandsregister ook leidt tot een belasting.
De vrijstellingen van belasting die in dit reglement zijn opgenomen sluiten het best aan bij de noden en het beleid van de gemeente.
Het is verantwoord een lager tarief te voorzien voor leegstaande kamers, aangezien de impact van de leegstand van kamers een beperktere impact zal kennen omwille van hun beperktere oppervlakte in vergelijking met gebouwen of woningen.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van de belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente, gelet op de financiële toestand van de gemeente en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven. Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren. De belastingbedragen worden ook geïndexeerd om een antwoord te bieden op prijsevoluties in de algemene uitgaven.
Het reglement voor de opname van panden in het leegstandsregister, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 13 december 2013, wordt geïntegreerd in het belastingreglement. Op deze manier zijn alle bepalingen rond leegstand eenduidig en gezamenlijk beschikbaar voor de burgers.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening P4-ACT7/0020-00/737500 van het exploitatiekrediet.
Artikel 1 - Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit reglement gelden de begripsomschrijvingen van het artikel 1.3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In dit reglement wordt verstaan onder:
1° administratie: de gemeentelijke administratieve eenheid dat door het gemeentebestuur wordt belast met de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister;
2° beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen;
3° beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere door de Vlaamse regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
4° gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
5° kamer: een woning waarin een toilet, een bad of douche of een kookgelegenheid ontbreken en waarvan de bewoners voor een of meer van die voorzieningen aangewezen zijn op de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt;
6° Leegstaand gebouw: een gebouw waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een termijn van ten minste twaalf opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.
De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor gedeelten daarvan uitgereikte omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is, of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
Een gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstaand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is eerst afsplitsbaar indien het na sloping van de overige gedeelten kan worden beschouwd als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
7° leegstaande woning: een woning die gedurende een termijn van ten minste twaalf opeenvolgende maanden niet aangewend wordt in overeenstemming met de woonfunctie die blijkt uit een omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning die voor die woning is uitgereikt. Bij een woning waarvoor er geen vergunning of melding is, of waarvan de functie niet duidelijk blijkt uit een vergunning of melding, wordt de functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van de woning dat voorafging aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden;
8° leegstandsregister: het gemeentelijk register van leegstaande gebouwen en woningen, zoals vermeld in artikel 2.9 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
9° leegstand bij nieuwbouw: een nieuw gebouw of een nieuwe woning wordt als een leegstaand gebouw of een leegstaande woning beschouwd indien dat gebouw of die woning binnen zeven jaar na de afgifte van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in laatste administratieve aanleg niet aangewend wordt overeenkomstig zijn functie;
10° opnamedatum: de datum waarop het gebouw of de woning in het leegstandsregister wordt opgenomen;
11° verjaardag: het ogenblik van het verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de opnamedatum, zolang het gebouw of de woning niet uit het leegstandsregister is geschrapt;
12° woning: elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande.
13° Houder van het zakelijk recht: de persoon of de personen met een recht van volle eigendom, opstal, erfpacht of vruchtgebruik met betrekking tot een gebouw of een woning;
14° Aanslagjaar: het jaar waarvoor de belasting verschuldigd is, i.e. het jaar waarin het pand reeds gedurende 12 opeenvolgende maanden op het leegstandsregister staat of een verjaardag hiervan.
Hoofdstuk 1: Leegstandsregistratie
Artikel 2 - Leegstandsregister
§1. De administratie houdt een leegstandsregister bij. Het leegstandsregister bestaat uit twee afzonderlijke lijsten:
1° een lijst ‘leegstaande gebouwen’;
2° een lijst ‘leegstaande woningen’.
Een woning die geïnventariseerd is als ongeschikt en/of onbewoonbaar, wordt niet opgenomen in het leegstandsregister.
§2. In het leegstandsregister worden de volgende gegevens opgenomen:
1° het adres van de leegstaande woning of het leegstaande gebouw;
2° de identiteit en het (de) adres(sen) van de houder(s) van het zakelijk recht;
3° het nummer en de datum van de administratieve akte,
4° de indicatie of indicaties die aanleiding hebben gegeven tot de opname.
Artikel 3 - Registratie van leegstand
§1. De door het college van burgemeester en schepenen met de opsporing van leegstand belaste personeelsleden bezitten de onderzoeks-, controle- en vaststellingsbevoegdheden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
§2. Een leegstaand gebouw of een leegstaande woning wordt opgenomen in het leegstandsregister aan de hand van een genummerde administratieve akte, waarbij één of meerdere foto’s en een beschrijvend verslag, met vermelding van de indicaties die de leegstand staven, gevoegd worden. De datum van de administratieve akte geldt als de datum van de vaststelling van de leegstand en geldt als opnamedatum.
§3. De leegstand wordt beoordeeld op basis van meerdere objectieve indicaties zoals vermeld in de volgende lijst:
Artikel 4 - Kennisgeving van registratie
De houder(s) van het zakelijk recht wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in het leegstandsregister. De kennisgeving bevat:
Artikel 5 - Beroep tegen registratie
§1. Binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het schrijven, vermeld in artikel 4, kan een houder van het zakelijk recht bij de beroepsinstantie beroep aantekenen tegen de beslissing tot opname in het leegstandsregister. Het beroep wordt per beveiligde zending betekend. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en moet minimaal volgende gegevens bevatten:
Als datum van het beroepschrift wordt de datum van de beveiligde zending gehanteerd.
Als het beroepschrift ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de houder van het zakelijk recht, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
§2. Zolang de indieningstermijn van dertig dagen niet verstreken is, kan een vervangend beroepschrift ingediend worden, waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken wordt beschouwd.
§3. Aan de indiener van een beroepschrift wordt een ontvangstbevestiging verstuurd. Elk inkomend beroepschrift wordt in het leegstandsregister geregistreerd.
§4. Het beroepschrift is alleen onontvankelijk:
§5. Als het beroepschrift onontvankelijk is, deelt de beroepsinstantie dit onverwijld mee aan de indiener.
Het indienen van een aangepast of nieuw beroep is mogelijk zolang de beroepstermijn van §1 niet verstreken is.
§6. De beroepsinstantie onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften op stukken als de feiten vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling of met een feitenonderzoek, dat uitgevoerd wordt door het met de opsporing van leegstaande gebouwen en woningen belaste personeelslid. Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een gebouw of een woning geweigerd of verhinderd wordt voor het feitenonderzoek.
§7. De beroepsinstantie doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na deze van de betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend aan de indiener van het beroep.
§8. Als tegen de beslissing tot opname in het leegstandsregister niet tijdig beroep wordt ingediend, of het beroep van de houder van het zakelijk recht onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, neemt de administratie het gebouw of de woning in het leegstandsregister op vanaf de datum van de vaststelling van de leegstand.
Artikel 6 - Schrapping uit het leegstandsregister
§1. Een woning wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een houder van het zakelijk recht bewijst dat de woning gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden aangewend wordt overeenkomstig de woonfunctie.
De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending overeenkomstig de functie.
Een gebouw wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een houder van het zakelijk recht bewijst dat meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte overeenkomstig de functie, vermeld in artikel 1, 6°, aangewend wordt gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden.
De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending overeenkomstig de functie. De administratie stelt deze aanwending vast via administratieve data of desgevallend na een onderzoek ter plaatse.
§2. Voor de schrapping uit het leegstandsregister richt de houder van het zakelijk recht een gemotiveerd verzoek aan de administratie via beveiligde zending. Dit verzoek bevat:
Als datum van het verzoek wordt de datum van de aangetekende verzending gehanteerd.
De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping uit het leegstandsregister en neemt een beslissing binnen een termijn 90 dagen na de ontvangst van het verzoek. De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een beveiligde zending.
Tegen de beslissing over het verzoek tot schrapping kan de houder van het zakelijk recht beroep aantekenen volgens de procedure, vermeld in artikel 5.
Hoofdstuk 2: de belasting
Artikel 7 - Belasting op leegstaande woningen en gebouwen
§1 Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een gemeentebelasting gevestigd op de woningen en gebouwen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het leegstandsregister.
De definities van woningen, gebouwen, leegstaande woning, leegstaand gebouw en leegstandsregister zijn omschreven in artikel 1.
§2 De belasting voor een leegstaande woning of een leegstaand gebouw is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat die woning of dat gebouw gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in het leegstandsregister.
Zolang de woning of het gebouw niet uit het register is geschrapt, is de belasting van het aanslagjaar verschuldigd op het ogenblik dat een nieuwe termijn van twaalf maanden verstrijkt.
Artikel 8 - Belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de houder van het zakelijk recht over het leegstaande gebouw of de leegstaande woning op de verjaardag van de opnamedatum.
§2. In geval van mede-eigendom zijn de mede-eigenaars hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld. In geval er meerdere andere houders zijn van het zakelijk recht, zijn deze eveneens hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
§3. Ingeval van overdracht van het zakelijk recht onder levenden wordt de hoedanigheid van de belastingplichtige beoordeeld op basis van de datum van de authentieke akte van de overdracht.
De overdrager of zijn notaris stelt de verkrijger van het zakelijk recht er voorafgaandelijk van in kennis dat het goed is opgenomen in het gemeentelijk leegstandsregister. De overdrager of zijn notaris stelt de administratie binnen twee maanden na het verlijden van de authentieke overdrachtsakte in kennis van de overdracht, de datum ervan, en de identiteitsgegevens van de nieuwe houder(s) van een zakelijk recht.
Bij afwezigheid van deze kennisgeving wordt de overdrager van een zakelijk recht, in afwijking van §1, als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd, voor zover de gemeente op het moment van het verschuldigd worden van de belasting niet op de hoogte is dat er een overdracht van het zakelijk recht heeft plaats gevonden.
Artikel 9 - Tarief van de belasting
§1. De belasting bedraagt:
§2. Als het gebouw of de woning een tweede opeenvolgende termijn van twaalf maanden in het leegstandsregister staat, bedraagt de belasting:
§3. Als het gebouw of de woning een derde opeenvolgende termijn van twaalf maanden in het leegstandsregister staat, bedraagt de belasting:
§4. Als het gebouw of de woning een vierde of latere opeenvolgende termijn van twaalf maanden in het leegstandsregister staat, bedraagt de belasting:
§5. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule:
Het verschuldigde bedrag wordt afgerond op de eenheid volgens de wiskundige afrondingsregels: bedragen van 0,50 euro en hoger worden naar boven afgerond, bedragen lager dan 0,50 euro worden naar beneden afgerond.
Het aantal termijnen van twaalf maanden dat een gebouw of woning in het leegstandsregister staat, wordt opnieuw vanaf nul berekend bij overdracht van het zakelijk recht betreffende het gebouw of de woning.
Artikel 10 - Vrijstellingen
§1. De houder van het zakelijk recht kan een beroep doen op de vrijstellingen vermeld in §3. Indien hij van een bepaalde vrijstelling gebruik wenst te maken, moet hij zelf de nodige bewijsstukken voorleggen.
Een vrijstelling van de belasting kan aangevraagd worden via beveiligde zending bij het college van burgemeester en schepenen.
§2. Een vrijstelling wordt telkens voor één aanslagjaar toegekend. Indien men zich volgens het reglement meerdere aanslagjaren kan beroepen op dezelfde vrijstelling, moet deze elk jaar opnieuw aangevraagd worden.
Als een vrijstelling toegekend wordt, blijft het pand wel op het leegstandsregister staan. Het goed dat tijdelijk vrijgesteld werd van de heffing, zal na afloop van de vrijstellingsperiode automatisch en zonder voorafgaande verwittiging, opnieuw onderworpen worden aan de heffing waarvan het tijdelijk werd vrijgesteld met dien verstande dat de vrijstellingstermijn bijgeteld wordt in de berekening voor het bepalen van de hoogte van de belasting overeenkomstig artikel 9.
§3. Van de leegstandsbelasting vrijgesteld is de belastingplichtige:
1°
Deze beide vrijstellingen (1° A. en 2° B.) gelden niet voor overdrachten aan vennootschappen waarin de vroegere houder van het zakelijk recht participeert, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor meer dan 10 procent van het aandeelhouderschap.
2° die een renovatienota of -schema voorlegt met daarin tekeningen en een opsomming van de werken, waaruit blijkt dat het pand effectief gerenoveerd wordt, en dat voor een periode van één aanslagjaar onmiddellijk na de datum van de aanvraag van de renovatienota. De belastingplichtige kan aansluitend een tweede, een derde, een vierde en vijfde aanslagjaar vrijgesteld worden als hij aantoont dat in het jaar voorafgaand aan de aanvraag vooruitgang in de renovatiewerken is geboekt. De renovatienota bevat:
Indien deze vrijstelling volgt op de vrijstelling onder 1° kan er cumulatief maximum vijf aanslagjaren vrijstelling verkregen worden op basis van deze vrijstellingsgronden samen. Deze vrijstelling kan, behoudens een eventuele aaneensluitende vrijstelling voor vijf aanslagjaren zoals hierboven bedoeld, slechts eenmaal ingeroepen worden door eenzelfde houder van het zakelijk recht gedurende een periode van tien jaar vanaf de datum van de goedkeuring van de eerste renovatienota.
3° voor een woning, als een natuurlijke persoon die houder van het zakelijk recht en laatste bewoner is van deze woning in een erkende ouderenvoorziening verblijft (woonzorgcentrum, aanleunwoning, assistentiewoning, ...), voor een langdurig verblijf werd opgenomen in een psychiatrische instelling of in zijn handelsbekwaamheid werd beperkt ingevolge een gerechtelijke beslissing. Het bewijs hiervoor wordt geleverd door de erkende instelling waar betrokkene verblijft of door afgifte van een kopie van de gerechtelijke beslissing.
Deze vrijstelling geldt voor maximaal drie aanslagjaren onmiddellijk volgend op de datum van opname of beslissing tot handelingsonbekwaamheid. Er kan slechts éénmaal op deze vrijstelling beroep worden gedaan.
4° van wie het pand binnen de grenzen ligt van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan of waarvoor geen omgevingsvergunning meer wordt afgeleverd omdat een onteigeningsplan wordt voorbereid.
5° van wie het pand niet gebruikt kan worden door een betredingsverbod of een verzegeling in het kader van een gerechtelijk onderzoek.
6° van wie het pand vernield of beschadigd is door een plotse ramp die zich heeft voorgedaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige, en dit voor een periode van drie opeenvolgende aanslagjaren die onmiddellijk volgen op de datum van de ramp.
7° die aantoont dat hij geen einde aan de leegstand kan maken wegens een situatie van overmacht.
§4. In het geval een goed voor meer dan één vrijstelling in aanmerking komt, zal de langste vrijstellingstermijn aangehouden worden om de periode van vrijstelling te bepalen.
Artikel 11 - Inkohiering
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 12 - Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en heft op en vervangt integraal het reglement voor de opname van panden in het leegstandsregister zoals goedgekeurd in zitting van 13 december 2013.
Woningen en gebouwen die opgenomen zijn in het gemeentelijk leegstandsregister voor die datum blijven opgenomen met dezelfde opnamedatum.
Belastingplichtigen die voor aanslagjaar 2025 een vrijstelling hadden krachtens het belastingreglement voor panden opgenomen in het leegstandsregister van 13 december 2019, worden diezelfde vrijstelling toegekend voor aanslagjaar 2026 mits voorlegging van de nodige bewijsstukken zoals gevraagd in dit belastingreglement. Vanaf aanslagjaar 2027 geldt voor deze belastingplichtigen onverkort het onderhavige reglement zoals vastgesteld in de zitting van 11 december 2025.
Het belastingreglement voor verwaarloosde woningen en gebouwen en ongeschikte en onbewoonbare woningen wordt vastgesteld.
De Vlaamse Codex Wonen stelt sedert 2021 de gemeente aan als coördinator en regisseur van het lokale woonbeleid.
Verwaarlozing is de voorbode van verkrotting, een toestand waarin woningen en gebouwen waardeloos zijn of zelfs gevaarlijk, wat niet enkel voor de eigenaar, maar ook voor de gemeente een verarming betekent.
Verwaarloosde woningen en gebouwen vormen een makkelijker mikpunt voor vandalisme en vervuiling, omdat een goed waarvoor geen zorg gedragen wordt, weinig respect wekt bij passanten en buurtbewoners.
Verwaarlozing creëert een gevoel van onveiligheid, wat een hogere inzet van politie- en veiligheidsdiensten vraagt.
De gemeente wil de kwaliteit van woningen op het grondgebied van Wevelgem bewaken om het grondrecht op menswaardig wonen van de inwoners van de gemeente te vrijwaren.
De strijd tegen verwaarloosde en onbewoonbare woningen en gebouwen zal maar een effect hebben als de opname in het verwaarlozingsregister of de VIVOO-lijst ook leidt tot een belasting.
Het is gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van de belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente, gelet op de financiële toestand van de gemeente en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven. Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren. De belastingbedragen worden ook geïndexeerd om een antwoord te bieden op prijsevoluties in de algemene uitgaven.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening PB4-ACT7/0020-00/737510 van het exploitatiekrediet 2026-2031.
Artikel 1 - Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit reglement gelden de begripsomschrijvingen van het artikel 1.3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In dit reglement wordt verstaan onder:
1° administratie: de administratieve eenheid van de gemeente, belast met de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het register van verwaarloosde woningen en gebouwen;
2° beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
3° gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2, 1° van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
4° houder van het zakelijk recht: de persoon of de personen met een recht van volle eigendom, opstal, erfpacht of vruchtgebruik met betrekking tot een gebouw of een woning;
5° opnamedatum: de datum waarop de woning of het gebouw opgenomen wordt in het verwaarlozingsregister;
6° verjaardag: het ogenblik waarop een nieuwe periode van twaalf maanden verstreken is sinds de opnamedatum, zolang de woning of het gebouw niet uit het verwaarlozingsregister is geschrapt;
7° verwaarlozingsregister: het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen, vermeld in artikel 2 van dit reglement;
8° woning: elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande;
9° gewestelijke Inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen: de inventaris vermeld in artikel 3.19 van de Vlaamse Codex Wonen;
10° inventarisatiedatum: de datum waarop een woning in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen is opgenomen;
11° beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen.
Hoofdstuk 1: Registratie van verwaarloosde woningen en gebouwen
Artikel 2 - Verwaarlozingsregister
§1. De administratie houdt een register bij van verwaarloosde woningen en gebouwen.
§2. In het verwaarlozingsregister worden de volgende gegevens opgenomen:
1° het adres van de verwaarloosde woning of het verwaarloosde gebouw,
2° de kadastrale gegevens van de verwaarloosde woning of het verwaarloosde gebouw,
3° de identiteit en het adres van alle houders van het zakelijk recht,
4° het nummer en de datum van het opnameattest,
5° toestand van verwaarlozing van de woning of het gebouw, inclusief het technisch verslag,
6° de eventuele ligging binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan,
7° de eventuele voorbereiding van een onteigeningsplan waarbinnen de verwaarloosde woning of het verwaarloosde gebouw zich situeert.
Artikel 3 - Registratie van verwaarlozing
§1. Het college van burgemeester en schepenen stelt de personeelsleden aan voor de opsporing van verwaarloosde woningen en gebouwen. De onderzoeks-, controle- en vaststellingsbevoegdheden worden omschreven in het artikel 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
§2. Een gebouw, ongeacht of het dienst doet als woning, wordt beschouwd als verwaarloosd, wanneer het ernstige zichtbare en storende gebreken of tekenen van verval vertoont aan buitenmuren, voegwerk, schoorstenen, dakbedekking, dakgebinte, buitenschrijnwerk, kroonlijst of dakgoten.
§3. De verwaarlozing wordt vastgesteld aan de hand van het model van technisch verslag dat wordt vastgesteld door het college van burgemeester en schepenen. Een gebrek van categorie 1 geldt voor 1 punt, een gebrek van categorie 2 geldt voor 3 punten, een gebrek van categorie 3 geldt voor 9 punten en een gebrek van categorie 4 geldt voor 15 punten. De woning of het gebouw is verwaarloosd wanneer er minstens 2 indicaties opgenomen zijn in het technisch verslag en alle gebreken samen een eindscore opleveren van minimaal 15 punten.
§4. Een verwaarloosde woning of gebouw wordt opgenomen in het verwaarlozingsregister aan de hand van een genummerd opnameattest waaraan minstens één foto wordt toegevoegd. Het opnameattest bevat het technisch verslag met een opsomming van alle gebreken die aanleiding geven tot de opname in het verwaarlozingsregister. De datum van de vaststelling is de datum van het opnameattest en geldt eveneens als opnamedatum in het verwaarlozingsregister.
§5. Een woning die opgenomen is in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen kan eveneens opgenomen worden in het verwaarlozingsregister, en omgekeerd.
§6. Een woning die of een gebouw dat opgenomen is in het gemeentelijke leegstandsregister, kan eveneens opgenomen worden in het verwaarlozingsregister, en omgekeerd.
Artikel 4 - Kennisgeving van de registratie
Alle houders van het zakelijk recht, zoals bekend bij de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen, worden met een beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in het verwaarlozingsregister.
De kennisgeving bevat:
1° het opnameattest met het technisch verslag,
2° informatie over de gevolgen van de opname in het verwaarlozingsregister,
3° informatie over de beroepsprocedure tegen de opname in het verwaarlozingsregister,
4° informatie over het schrappingsverzoek uit het verwaarlozingsregister.
De beveiligde zending wordt gericht aan de woonplaats van de houder van het zakelijk recht. Is de woonplaats van een houder van het zakelijk recht niet bekend, dan wordt de beveiligde zending gericht aan zijn verblijfplaats. Is de verblijfplaats van een houder van het zakelijk recht niet bekend, dan wordt de beveiligde zending gericht aan het adres van de woning of het gebouw waarop het opnameattest betrekking heeft.
Artikel 5 - Beroep tegen registratie
§1. Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de datum van de beveiligde zending vermeld in artikel 4, kan een houder van het zakelijk recht bij het college van burgemeester en schepenen beroep aantekenen tegen de beslissing tot opname in het verwaarlozingsregister. Het beroep wordt per beveiligde zending betekend. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en moet minimaal volgende gegevens bevatten:
1° de identiteit en het adres van de indiener,
2° de vermelding van het nummer van het opnameattest en het adres van de woning of het gebouw waarop het beroepschrift betrekking heeft,
3° de bewijsstukken die aantonen dat de opname van de woning of het gebouw in het verwaarlozingsregister ten onrechte is gebeurd. De registratie kan betwist worden met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, uitgezonderd de eed.
Als datum van het beroepschrift geldt de datum van de beveiligde zending.
Als het beroepschrift ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de houder van het zakelijk recht, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
§2. De administratie stuurt aan de indiener van een beroepschrift een ontvangstbevestiging.
§3. Het beroepschrift is onontvankelijk als het niet is ingediend overeenkomstig de bepalingen in §1.
§4. Als het beroepschrift onontvankelijk is, deelt het college van burgemeester en schepenen dit onverwijld mee aan de indiener. Het indienen van een aangepast of nieuw beroep is mogelijk zolang de beroepstermijn van §1 niet verstreken is.
§5. Het college van burgemeester en schepenen onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften. Het onderzoek gebeurt op stukken als de feiten vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling. Als een onderzoek op stukken niet volstaat, wordt een feitenonderzoek uitgevoerd door de met de opsporing van verwaarloosde gebouwen en woningen belaste personeelsleden.
§6. Het college van burgemeester en schepenen doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend.
§7. Als de beslissing tot opname in het verwaarlozingsregister niet tijdig betwist wordt, of het beroep van de houder van het zakelijk recht onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, blijft de woning of het gebouw opgenomen in het verwaarlozingsregister.
Artikel 6 - Schrapping uit het verwaarlozingsregister
§1 De administratie schrapt het pand uit het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen wanneer de zakelijk gerechtigde bewijst dat het pand geen indicaties van verwaarlozing vertoont die bij de quotering in het model van technisch verslag, vermeld in artikel 3, 15 punten of meer zouden opleveren. De zakelijk gerechtigde richt hiertoe een schriftelijk verzoek aan de administratie. In geval van sloop moet alle puin geruimd zijn.
De beëindiging van de staat van verwaarlozing kan aangetoond worden met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, uitgezonderd de eed. Als een onderzoek op stukken niet volstaat, wordt een feitenonderzoek uitgevoerd door de met de opsporing van verwaarloosde gebouwen en woningen belaste personeelsleden.
§2. Voor de schrapping uit het verwaarlozingsregister richt de houder van het zakelijk recht een ondertekend en gemotiveerd verzoek aan de administratie via beveiligde zending. Dit verzoek bevat:
1° de identiteit en het adres van de indiener,
2° de vermelding van het nummer van het opnameattest en het adres van de woning of het gebouw waarop de vraag tot schrapping betrekking heeft,
3° de bewijsstukken overeenkomstig §1 die aantonen dat de woning of het gebouw geschrapt mag worden uit het verwaarlozingsregister.
Als datum van het schrappingsverzoek geldt de datum van de beveiligde zending.
Als het verzoek ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de houder van het zakelijk recht, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping uit het verwaarlozingsregister en neemt een beslissing binnen een termijn van 90 dagen na de ontvangst van het verzoek. De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een beveiligde zending. Als de kennisgeving niet is gebeurd binnen de voorziene termijn, wordt het schrappingsverzoek geacht te zijn ingewilligd.
Wordt het verzoek ingewilligd, dan wordt de woning of het gebouw geschrapt uit het verwaarlozingsregister. De indieningsdatum van het schrappingsverzoek geldt als datum waarop de woning of het gebouw uit het verwaarlozingsregister wordt geschrapt.
Tegen de beslissing over het verzoek tot schrapping kan de houder van het zakelijk recht beroep aantekenen volgens de procedure, vermeld in artikel 5.
Hoofdstuk 2: Belasting op verwaarloosde woningen en gebouwen
Artikel 7 - Belastbaar voorwerp en belastingtermijn
§1. Er wordt voor de jaren 2026 tot en met 2031 een gemeentebelasting gevestigd op de woningen en gebouwen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden opgenomen zijn in het verwaarlozingsregister.
§2. De belasting is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat de woning of het gebouw gedurende twaalf opeenvolgende maanden opgenomen is in het verwaarlozingsregister.
Zolang de woning of het gebouw niet is geschrapt uit het verwaarlozingsregister, blijft de belasting verschuldigd bij elke verjaardag van de opname.
Artikel 8 - Belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de houder van het zakelijk recht op de verwaarloosde woning of het verwaarloosd gebouw op de verjaardag van de opname.
§2. Indien er meerdere houders van het zakelijk recht zijn, zijn zij allen hoofdelijk gehouden tot betaling van de totale belastingschuld.
§3. Ingeval van overdracht van het zakelijk recht onder levenden wordt de hoedanigheid van de belastingplichtige beoordeeld op basis van de datum van de authentieke akte van de overdracht.
De overdrager of zijn notaris stelt de verkrijger van het zakelijk recht er voorafgaandelijk van in kennis dat het goed is opgenomen in het gemeentelijk verwaarlozingsregister. De overdrager of zijn notaris stelt de administratie binnen twee maanden na het verlijden van de authentieke overdrachtsakte in kennis van de overdracht, de datum ervan, en de identiteitsgegevens van de nieuwe houder(s) van een zakelijk recht.
Bij afwezigheid van deze kennisgeving wordt de overdrager van een zakelijk recht, in afwijking van §1, als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd, voor zover de gemeente op het moment van het verschuldigd worden van de belasting niet op de hoogte is dat er een overdracht van het zakelijk recht heeft plaats gevonden.
Artikel 9 - Tarief van de belasting
§1. De belasting bedraagt:
1 000 euro voor een woning en een gebouw met 15 tot 30 punten op het technisch verslag. Voor wat betreft verwaarloosde gebouwen en woningen bedraagt deze belasting vanaf de tweede termijn van twaalf maanden op het register 2 000 euro, vanaf de derde termijn van twaalf maanden 3 000 euro, vanaf de vierde termijn van twaalf maanden 4 000 euro en vanaf de vijfde termijn van twaalf maanden 5 000 euro.
Vanaf dat de woning of het gebouw meer dan 30 punten haalt op het technisch verslag verhoogt de belasting naar 2 000 euro. Voor deze panden bedraagt deze belasting vanaf de tweede termijn van twaalf maanden op het register 3 000 euro, vanaf de derde termijn van twaalf maanden 4 000 euro, vanaf de vierde termijn van twaalf maanden 5 000 euro en vanaf de vijfde termijn van twaalf maanden 6 000 euro.
§2. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule:
Het verschuldigde bedrag wordt afgerond op de eenheid volgens de wiskundige afrondingsregels: bedragen van 0,50 euro en hoger worden naar boven afgerond, bedragen lager dan 0,50 euro worden naar beneden afgerond.
Het aantal termijnen van twaalf maanden dat een gebouw of woning in het verwaarlozingsregister staat, wordt opnieuw vanaf nul berekend bij overdracht van het zakelijk recht betreffende het gebouw of de woning.
Artikel 10 - Vrijstellingen
§1. De houder van het zakelijk recht kan beroep doen op de hieronder vermelde vrijstellingen. Indien hij van een bepaalde vrijstelling gebruik wenst te maken moet hij zelf de nodige bewijsstukken voorleggen aan de administratie. Deze vrijstellingen moeten elk jaar opnieuw, per aanslagjaar, voor de datum van het verschuldigd zijn van de belasting worden aangevraagd.
§2. Van de belasting op verwaarloosde woningen en gebouwen is vrijgesteld:
1° De belastingplichtige die sinds minder dan één jaar houder van het zakelijk recht is over de woning of het gebouw, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor het belastingjaar dat volgt op het verkrijgen van het zakelijk recht. Dit bewijs moet geleverd worden door het voorleggen van een attest van de notaris waaruit blijkt vanaf welke datum de belastingplichtige zakelijk gerechtigde is geworden of door het voorleggen van een notarisakte.
Deze vrijstelling geldt niet voor:
2° Wegens overmacht, als de belastingplichtige aantoont dat de woning of het gebouw opgenomen blijft in het register van verwaarloosde woningen en gebouwen ten gevolge van een onvoorzienbare gebeurtenis onafhankelijk van zijn wil. Die vrijstelling wordt verleend voor een termijn van één jaar, maar wordt jaarlijks verlengd als de overmacht aanhoudt.
3° De belastingplichtige die een gedetailleerd renovatieschema voorlegt met daarin tekeningen en een opsomming van de werken, waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken zal uitvoeren.
Het gedetailleerde renovatieschema bevat al de volgende stukken:
Deze vrijstelling kan per houder van het zakelijk recht voor hetzelfde pand ten hoogste 5 opeenvolgende belastingjaren verkregen worden.
Indien deze vrijstelling volgt op de vrijstelling onder 1° kan er cumulatief maximum 5 belastingjaren vrijstelling verkregen worden op basis van deze vrijstellingsgronden samen.
Voor de toepassing van deze vrijstelling wordt sloop die gevolgd wordt door vervangingsbouw gelijkgesteld met renovatiewerken.
4° De belastingplichtige die houder van het zakelijk recht is over meerdere woningen en/of gebouwen die hij of zij tegelijk wil slopen, verbouwen of renoveren om economische en praktische efficiëntieredenen. Deze vrijstelling kan ten hoogste vijf opeenvolgende belastingjaren verleend worden, voor zover de belastingplichtige een gedetailleerde planning voorlegt voor de uit te voeren sloop-, verbouwings- of renovatiewerken.
§3. Een vrijstelling wordt verleend indien de woning of het gebouw:
1° Gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan, of geen voorwerp meer kan uitmaken van een omgevingsvergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan is vastgesteld.
2° Vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp, met dien verstande dat deze vrijstelling maximum drie opeenvolgende belastingjaren kan worden verleend, te rekenen vanaf de datum van de vernieling of beschadiging.
Onder een ramp wordt verstaan elke gebeurtenis die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan de woning of het gebouw, waardoor de bewoning van de woning of het gebruik van het gebouw geheel of ten dele onmogelijk wordt.
Artikel 11 - Wijze van inning
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Hoofdstuk 3. Belasting op ongeschikte en onbewoonbare woningen
Artikel 12 - Belastingstermijn en belastbare grondslag
§1. Er wordt voor de jaren 2026 tot en met 2031 een gemeentebelasting gevestigd op de woningen die opgenomen zijn in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen.
§2. De belasting is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat de woning gedurende twaalf opeenvolgende maanden opgenomen is in deze inventaris.
Zolang de woning niet is geschrapt uit deze inventaris, blijft de belasting verschuldigd bij het verstrijken van elke opeenvolgende periode van twaalf maanden.
Artikel 13 - Belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de houder van het zakelijk recht van de ongeschikte of onbewoonbare woning op de verjaardag van de inventarisatiedatum.
§2. Indien er meerdere houders van het zakelijk recht zijn, zijn zij allen hoofdelijk gehouden tot betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 14 - Tarief van de belasting
§1. De belasting bedraagt:
1° Voor een kamer zoals vermeld in artikel 1.3, §1, 25° van de Vlaamse Codex Wonen 2021: 500 euro.
Indien de kamer een tweede opeenvolgende termijn van twaalf maanden in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen staat, bedraagt de belasting 700 euro.
Indien de kamer een derde opeenvolgende termijn van twaalf maanden in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen staat, bedraagt de belasting 900 euro.
Indien de kamer een vierde of langere opeenvolgende termijn van twaalf maanden in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen staat, bedraagt de belasting 1 100 euro.
2° Voor een woning 2 000 euro. Indien de woning een tweede opeenvolgende termijn van twaalf maanden in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen staat, bedraagt de belasting 3 000 euro;
Indien de woning een derde opeenvolgende termijn van twaalf maanden in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen staat, bedraagt de belasting 4 000 euro. Indien de woning een vierde opeenvolgende termijn van twaalf maanden in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen staat, bedraagt de belasting 5 000 euro.
§2. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule:
Het verschuldigde bedrag wordt afgerond op de eenheid volgens de wiskundige afrondingsregels: bedragen van 0,50 euro en hoger worden naar boven afgerond, bedragen lager dan 0,50 euro worden naar beneden afgerond.
Het aantal termijnen van twaalf maanden dat een gebouw of woning in het leegstandsregister staat, wordt opnieuw vanaf nul berekend bij overdracht van het zakelijk recht betreffende het gebouw of de woning.
Artikel 15 - Vrijstelling
§1. Er wordt een vrijstelling wegens overmacht verleend aan de zakelijk gerechtigde die aantoont dat de woning opgenomen blijft in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen om redenen onafhankelijk van zijn wil.
§2. Er wordt een vrijstelling verleend aan de zakelijke gerechtigde die op de verjaardag van de inventarisatiedatum sinds minder dan 1 jaar gerechtigd is in de belastbare woning.
Deze vrijstelling geldt niet voor:
1° de overdracht aan een vennootschap die door de overdrager rechtstreeks of onrechtstreeks gecontroleerd wordt;
2° de overdracht die het gevolg is van een fusie, splitsing of andere overgang ten algemene titel.
§3. Er wordt een vrijstelling verleend aan de belastingplichtige die de belastbare woning in de loop van 1 jaar, voorafgaand aan de inventarisatiedatum, heeft vervreemd via een onderhandse overeenkomst, voor zover uit de daaropvolgende notariële akte blijkt dat de vervreemding effectief is doorgegaan binnen een termijn van maximaal 6 maanden.
§4. Er wordt een vrijstelling verleend indien de woning:
a) gelegen is binnen een goedgekeurd onteigeningsplan.
b) beschermd is als monument, en dit enkel gedurende de termijn van behandeling van het restauratiedossier door de bevoegde instanties.
c) voorwerp uitmaakt van renovatiewerken die verband houden met de gebreken in het technisch verslag. Hiervoor wordt een renovatienota of -schema voorgelegd met daarin tekeningen en een opsomming van de werken, waaruit blijkt dat het pand effectief gerenoveerd wordt, en dat voor een periode van één jaar. De belastingplichtige kan aansluitend een tweede en een derde jaar vrijgesteld worden, als hij aantoont dat in het jaar voorafgaand aan de aanvraag vooruitgang in de renovatiewerken is geboekt. De renovatienota bevat:
Indien deze vrijstelling volgt op de vrijstelling onder §2. kan er cumulatief maximum 3 belastingjaren vrijstelling verkregen worden op basis van deze vrijstellingsgronden samen.
§5. Van de belasting zijn vrijgesteld:
a) de belastingplichtige die zakelijk gerechtigde is van één enkele woning, bij uitsluiting van enige andere woning, en waarbij hij als houder van het recht de woning uitsluitend gebruikt als hoofdverblijfplaats. De verklaring van hoofdverblijf wordt enkel aanvaard wanneer er tijdens de geïnventariseerde periode een effectieve inschrijving in de bevolkingsregisters van de gemeente Wevelgem is.
Deze vrijstelling geldt slechts gedurende 2 aanslagjaren volgend op het verkrijgen van het zakelijk recht.
b) De belastingplichtigen die laatste bewoner zijn van de belastbare woning en die in een erkende ouderenvoorziening verblijven of zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Deze vrijstelling geldt slechts gedurende 2 aanslagjaren.
§6. Een vrijstelling van de heffing kan worden aangevraagd door middel van een daartoe bestemd aanvraagformulier, verkrijgbaar bij de gemeente.
Artikel 16 - Wijze van inning
De belasting wordt ingevorderd met een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Het belastingreglement op nachtwinkels wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het belastingreglement op nachtwinkels. Het is aangewezen dit belastingreglement opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
De aanwezigheid van nachtwinkels op het grondgebied van Wevelgem kan zorgen voor bijkomende overlast en tot activiteiten die de veiligheid, openbare orde en rust in de gemeente in het gedrang brengen. Dit leidt tot een grotere inspanning van de gemeente en vraagt een verhoogde waakzaamheid en inzet van de lokale politie wat zorgt voor bijkomende kosten. Het is dan ook redelijk en billijk dat de nachtwinkels bijdragen in deze kosten.
De openings- en jaarlijkse belasting zijn volledig en ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar. Niettemin wordt de openingsbelasting opnieuw opgelegd bij een nieuwe uitbater in de loop van het jaar, dit kadert in de doelstelling om de betrokken activiteiten zoveel als mogelijk in te perken (ontradend karakter).
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren. De belastingbedragen worden ook geïndexeerd om een antwoord te bieden op prijsevoluties in de algemene uitgaven.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/734080 van het exploitatiekrediet 2026-2031.
Artikel 1
Voor een termijn eindigend op 31 december 2031 wordt ten behoeve van de gemeente een openingsbelasting en een jaarlijkse belasting geheven op nachtwinkels gelegen op het grondgebied van Wevelgem.
Artikel 2
Voor de toepassing van dit reglement wordt onder het begrip ‘nachtwinkel’ verstaan, het begrip zoals gedefinieerd in artikel 2, 9° van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening en in het gemeentelijk reglement op nachtwinkels en hun latere wijzigingen, namelijk iedere vestigingseenheid waarvan de netto verkoopoppervlakte niet groter dan 150 m² is, die geen andere activiteiten uitoefent dan de verkoop van algemene voedingswaren en huishoudelijke artikelen en die op duidelijke en permanente manier de vermelding nachtwinkel draagt.
Artikel 3
§1. De openingsbelasting is vastgesteld op 7 500 euro.
De openingsbelasting is een eenmalige belasting en is verschuldigd bij elke opening van een nieuwe handelsactiviteit van een nachtwinkel.
Elke wijziging van uitbating is gelijkgesteld met een opening van een nieuwe handelsactiviteit.
§2. De jaarlijkse belasting is vastgesteld op 1 900 euro per nachtwinkel.
De jaarlijkse belasting gaat in op 1 januari volgend op het jaar van inkohiering van de openingsbelasting. Voor nachtwinkels die hun handelsactiviteit startten voor 1 januari 2026 is de jaarlijkse belasting onmiddellijk verschuldigd vanaf 1 januari 2026.
§3. De openingsbelasting en de jaarlijkse belasting zijn ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar. Zij zijn verschuldigd voor het ganse jaar, welke ook de aanvangs- of stopzettingsdatum van de handelsactiviteit of de wijziging van uitbating in het jaar is. Er wordt geen enkele korting of teruggave van de belasting gedaan om welke reden dan ook.
§4. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule:
Het verschuldigde bedrag wordt afgerond op de eenheid volgens de wiskundige afrondingsregels: bedragen van 0,50 euro en hoger worden naar boven afgerond, bedragen lager dan 0,50 euro worden naar beneden afgerond.
Artikel 4
De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die uitbater is van de nachtwinkel.
De eigenaar van het pand is in ieder geval hoofdelijk aansprakelijk tot betaling van de belasting.
De belasting is verschuldigd ongeacht of alle verplichtingen en beperkingen voortvloeiend uit de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening en/of het gemeentelijk reglement inzake nachtwinkels en hun latere wijzigingen gerespecteerd zijn.
Artikel 5
§1. De natuurlijke of rechtspersoon die een nachtwinkel opent, is verplicht daarvan aangifte te doen bij het college van burgemeester en schepenen op een door het gemeentebestuur voorgeschreven aangifteformulier dat op eenvoudig verzoek kan bekomen worden. Deze aangifte dient uiterlijk op 31 juli van het aanslagjaar ingediend te worden voor de openingen/wijzigingen van uitbating die hebben plaatsgevonden in de eerste helft van het aanslagjaar. De aangifte dient te geschieden uiterlijk op 31 januari van het jaar volgend op het aanslagjaar voor de openingen/wijzigingen van uitbating die hebben plaatsgevonden in de tweede helft van het aanslagjaar.
§2. De uitbater van een nachtwinkel is verplicht jaarlijks een aangifte te doen bij het college van burgemeester en schepenen van de exploitatie van de nachtwinkel. De aangifte moet gebeuren uiterlijk op 30 juni van elk aanslagjaar op een door het gemeentebestuur voorgeschreven aangifteformulier.
Een belastingplichtige die niet spontaan een aangifteformulier gekregen heeft, kan dit op eenvoudig verzoek bekomen. De belastingplichtige blijft zelf evenwel verantwoordelijk om de aangifte te doen uiterlijk op 30 juni van het aanslagjaar.
§3. De natuurlijke of rechtspersoon die een nachtwinkel overbrengt, overlaat of sluit, is verplicht dit tenminste zestig dagen voorafgaand te melden bij het college van burgemeester en schepenen. Bij gebreke aan dergelijke (tijdige) melding zal de belastingplichtige die de inrichting overbrengt, overlaat of sluit toch beschouwd worden als belastingplichtige voor de eerstvolgende belasting die na de overbrenging, overlating of sluiting wordt gevestigd.
§4. De aangiftes en de meldingen kunnen via één van de volgende kanalen gebeuren:
- per e-mail: belastingen@wevelgem.be,
- per post: college van burgemeester en schepen, Vanackerestraat 16, 8560 Wevelgem,
- per elektronische weg andere dan e-mail indien een daartoe strekkend elektronisch platform ter beschikking wordt gesteld door de gemeente.
Artikel 6
Als er geen, geen juiste of volledige aangifte is gedaan voor aangiftedatum wordt de belastingplichtige ambtshalve belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht tot bezwaar en beroep.
Artikel 7
De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met 20% van de verschuldigde belasting. Vanaf de tweede ambtshalve aanslag die gevestigd wordt bedraagt de verhoging 50% van de verschuldigde belasting.
Het bedrag van de verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve gevestigde belasting ingekohierd.
Artikel 8
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 9
§1. Deze beslissing treedt in werking op 1 januari 2026.
§2. Dit belastingreglement is geldig voor een termijn eindigend op 31 december 2031.
Het belastingreglement op de uitbating van bars en privéclubs wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het belastingreglement op de uitbating van bars en privéclubs.
Het is aangewezen dit belastingreglement opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
De aanwezigheid van bars en privéclubs op het grondgebied van Wevelgem kan zorgen voor bijkomende overlast en tot activiteiten die de veiligheid, openbare orde, rust en zedelijkheid in de gemeente in het gedrang brengen. Dit leidt tot een grotere inspanning van de gemeente en vraagt een verhoogde waakzaamheid en inzet van de lokale politie wat zorgt voor bijkomende kosten. Het is dan ook redelijk en billijk dat de bars en privéclubs bijdragen in deze kosten.
De belasting is volledig en ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar. Niettemin wordt deze belasting opnieuw opgelegd bij een nieuwe uitbater in de loop van het jaar, dit kadert in de doelstelling om de betrokken activiteiten zoveel als mogelijk in te perken (ontradend karakter).
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren. Het belastingbedrag wordt ook geïndexeerd om een antwoord te bieden op prijsevoluties in de algemene uitgaven.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/734100 van het exploitatiekrediet 2026-2031.
Artikel 1
Voor een periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 wordt een jaarlijkse belasting geheven op de uitbating van bars en privéclubs gelegen op het grondgebied van de gemeente Wevelgem.
Artikel 2
Een bar of privéclub is iedere inrichting waar personen, ongeacht hun geslacht, met of zonder loon, tijdelijk of bestendig, de klanten lokken of bedienen en die de handel van de uitbater, gelinkt aan of geïnspireerd door erotisch gedrag, bevorderen, rechtstreeks of onrechtstreeks, hetzij door gewoonlijk met de klant te verbruiken, hetzij door het verbruik op gelijk welke andere manier te stimuleren dan door gewoon de klanten te bedienen of door normaal dienstbetoon of tot verbruik aan te zetten door alle andere middelen dan de eenvoudige uitoefening van zang-, dans-, of woordkunst en dit ongeacht of de toegang afhankelijk gesteld wordt van het vervullen van zekere formaliteiten of voorbehouden is aan zekere personen.
Dit kan vastgesteld worden doordat die inrichtingen ofwel hun aard door uiterlijke kentekens ter kennis van voorbijgangers brengen, ofwel als dusdanig bekend zijn en uit bepaalde vaststellingen en onderzoeken, uitgevoerd door de politiediensten, blijkt dat zij een dergelijke bedrijvigheid uitoefenen.
Artikel 3
§1. De jaarlijkse belasting is vastgesteld op 6 000 euro per belastingplichtige inrichting.
De belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar. De belasting is verschuldigd voor het ganse jaar, welke ook de aanvangs- of stopzettingsdatum van de belastingplichtige inrichting is. Er wordt geen enkele korting of teruggave van de belasting gedaan om welke reden dan ook.
Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule:
Het verschuldigde bedrag wordt afgerond op de eenheid volgens de wiskundige afrondingsregels: bedragen van 0,50 euro en hoger worden naar boven afgerond, bedragen lager dan 0,50 euro worden naar beneden afgerond.
§2. Als de belastingplichtige inrichting in de loop van het jaar wordt overgedragen aan een andere uitbater, dan is de belasting andermaal verschuldigd door deze nieuwe uitbater.
Artikel 4
De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die uitbater is van de bar en/of privéclub.
De eigenaar van het pand is in ieder geval hoofdelijk aansprakelijk tot betaling van de belasting.
De belasting is verschuldigd ongeacht of alle verplichtingen en beperkingen voortvloeiend uit het gemeentelijk reglement inzake prostitutieruimtes en zijn latere wijzigingen of uit andere wettelijke bepalingen gerespecteerd zijn.
Artikel 5
§1. De natuurlijke of rechtspersoon die een belastingplichtige inrichting opent, is verplicht daarvan aangifte te doen bij het college van burgemeester en schepenen op een door het gemeentebestuur voorgeschreven aangifteformulier dat op eenvoudig verzoek kan bekomen worden.
Deze aangifte dient uiterlijk op 31 juli van het aanslagjaar ingediend te worden voor de openingen/wijzigingen van uitbating die hebben plaatsgevonden in de eerste helft van het aanslagjaar. De aangifte dient te geschieden uiterlijk op 31 januari van het jaar volgend op het aanslagjaar voor de openingen/wijzigingen van uitbating die hebben plaatsgevonden in de tweede helft van het aanslagjaar.
§2. De uitbater van een belastingplichtige inrichting is verplicht jaarlijks een aangifte te doen bij het college van burgemeester en schepenen van de exploitatie van de bar of privéclub. De aangifte moet gebeuren uiterlijk op 30 juni van elk aanslagjaar op een door het gemeentebestuur voorgeschreven aangifteformulier
Een belastingplichtige die niet spontaan een aangifteformulier gekregen heeft, kan dit op eenvoudig verzoek bekomen. De belastingplichtige blijft in elk geval verantwoordelijk om de aangifte te doen uiterlijk op 30 juni van het aanslagjaar.
§3. De natuurlijke of rechtspersoon die een belastingplichtige inrichting overbrengt, overlaat of sluit, is verplicht dit tenminste zestig dagen voorafgaand te melden bij het college van burgemeester en schepenen. Bij gebreke aan dergelijke (tijdige) melding zal de belastingplichtige die de inrichting overbrengt, overlaat of sluit toch beschouwd worden als belastingplichtige voor de eerstvolgende belasting die na de overbrenging, overlating of sluiting wordt gevestigd.
§4. De aangiftes en de meldingen kunnen via één van de volgende kanalen gebeuren:
- per e-mail: belastingen@wevelgem.be,
- per post: college van burgemeester en schepen, Vanackerestraat 16, 8560 Wevelgem,
- per elektronische weg andere dan e-mail indien een daartoe strekkend elektronisch platform ter beschikking wordt gesteld door de gemeente.
Artikel 6
Als er geen, geen juiste of volledige aangifte is gedaan voor aangiftedatum wordt de belastingplichtige ambtshalve belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht tot bezwaar en beroep.
Artikel 7
De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met 20% van de verschuldigde belasting. Het bedrag van de verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve gevestigde belasting ingekohierd.
Artikel 8
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 9
Dit belastingreglement treedt in werking vanaf 1 januari 2026 en is geldig tot en met 31 december 2031.
Het reglement houdende de indirecte belasting op het vervoer van personen met een politievoertuig wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het reglement houdende de indirecte belasting op het vervoer van personen met een politievoertuig. Dit reglement werd ingevoerd na afstemming tussen de respectieve gemeenten om dergelijk belastingreglement in te voeren. Het is aangewezen om, net als de andere gemeenten van de politiezone, dit belastingreglement opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031. (cfr. bespreking in het politiecollege van 17 november 2025)
Er bestaat inderdaad een noodzaak om de gemaakte kosten te laten vergoeden van het vervoer van bestuurlijk aangehouden personen, dronken personen of personen die gedragingen stelden die de levenskwaliteit van de inwoners kunnen beperken op een manier die de normale druk van het sociale leven overschrijdt, waardoor de normale last die het leven in de samenleving onvermijdelijk met zich meebrengt, wordt overschreden. Dergelijk vervoer verzwaart de werklast van het politiepersoneel aanzienlijk waardoor andere taken in het gedrang kunnen komen, o.a. aanwezigheid in de straat die van groot belang is om het veiligheidsgevoel van de burger te ondersteunen.
Voor gerechtelijke aanhoudingen moet rekening gehouden worden met het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken dat bepaalt welke kosten in alle gevallen ten laste van de Staat zijn, zodat gemaakte kosten hiervoor niet kunnen verhaald worden.
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren. Het belastingbedrag wordt ook geïndexeerd om een antwoord te bieden op prijsevoluties in de algemene uitgaven.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/731200 van het exploitatiekrediet 2026-2031.
Artikel 1
Voor een termijn eindigend op 31 december 2031 wordt ten behoeve van de gemeente een belasting op het vervoer van personen met een politievoertuig geheven.
Artikel 2
Voor de toepassing van dit belastingreglement wordt begrepen onder:
- Openbare overlast: een lichte vorm van verstoring van openbare rust, veiligheid, gezondheid en reinheid en heeft betrekking op:
- Rit: traject dat wordt afgelegd vanaf het uitrukken van het politievoertuig tot op het ogenblik dat de betrokkene op zijn eindbestemming, bepaald door de politie, gebracht is.
- Bestuurlijke aanhouding: de opdrachten van bestuurlijke politie zoals omschreven in de artikelen 31 en 34 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, op grond van artikel 9ter van de drugwet van 24 februari 1921 en op grond van artikel 1, §2 van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap.
- Eindbestemming: de meest aangewezen bestemming, bepaald door de politie, naargelang het geval (politiecommissariaat, woning of verblijfplaats, verpleeginstelling, cel in het politiekantoor, …).
- Openbare dronkenschap: in de zin van artikel 1 van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap, of bij een soortgelijke staat als dronkenschap ten gevolge van een positieve ademanalyse of weigering van een ademanalyse.
Artikel 3
De belasting wordt gevestigd op het vervoer van personen met een politievoertuig wegens:
- een bestuurlijke aanhouding om welke reden dan ook;
- het veroorzaken van (openbare) overlast;
- openbare dronkenschap.
Artikel 4
De belasting wordt vastgesteld op een forfaitair bedrag van 150 euro per rit en per vervoerde persoon. Dit bedrag is ondeelbaar voor elk belastbaar feit verschuldigd zoals vermeld in artikel 3.
Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule:
Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond naar een veelvoud van 10 cent.
Artikel 5
De vervoerde persoon is de belastingplichtige.
De belasting is verschuldigd door de vervoerde persoon of door diegene die voor hem burgerlijk verantwoordelijk is.
De belasting is verschuldigd vanaf het ogenblik dat de vervoerde persoon zijn eindbestemming heeft bereikt.
Artikel 6
De belasting is niet van toepassing bij het vervoer van gerechtelijk aangehouden personen bedoeld in artikel 78, 4° van het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
Artikel 7
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 8
§1. Deze beslissing treedt in werking op 1 januari 2026.
§2. Dit belastingreglement is geldig voor een termijn eindigend op 31 december 2031.
Het belastingreglement niet-afkoppeling en verhaalbelasting extra maatreglen niet-afkoppeling wordt vastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het belastingreglement niet-afkoppeling en het reglement houdende de verhaalbelasting extra maatregelen niet-afkoppeling. Het is aangewezen beide belastingreglementen geïntegreerd opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
In uitvoering van Europese regelgeving bepaalt de Vlaamse milieuwetgeving (Vlarem II) dat er gestreefd wordt naar het maximaal aanleggen van een gescheiden rioleringsstelsel bij de aanleg of heraanleg van rioleringen.
De aanleg van gescheiden rioleringsstelsels met afkoppeling op particulier niveau is ook noodzakelijk om in aanmerking te komen voor de subsidies bij de Vlaamse overheid (Vlaamse Milieumaatschappij, VMM) voor de uitvoering van openbare rioleringswerken (besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2017 betreffende de subsidiëring van de werken, vermeld in artikel 2.6.1.3.1, §1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018). Indien er niet afgekoppeld is, dienen de redenen waarom niet afgekoppeld kon worden en de stappen die de rioolbeheerder heeft ondernomen aan de VMM meegedeeld. De belasting op niet-afkoppeling is derhalve een maatregel die de gemeente als rioolbeheerder heeft genomen zodat de subsidies van de VMM verder uitbetaald kunnen worden.
Bij de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel is een volledige scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, in principe verplicht. Hemelwater dient trouwens in principe te allen tijde gescheiden gehouden worden van het afvalwater krachtens de gewestelijke stedenbouwkundige hemelwaterverordening.
De aanleg van een gescheiden openbaar rioleringsstelsel is enkel economisch en ecologisch zinvol als ook de private riolering in alle aangesloten gebouwen en/of verharde oppervlaktes wordt gescheiden. Het niet optimaal afkoppelen kan aanleiding geven tot overlast voor de site waar niet wordt afgekoppeld, ondanks de afkoppelingsplicht, omdat deze, in het bijzonder bij piekbuien, het risico loopt niet afdoende te kunnen afvoeren. Immers bij de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel zijn de RWA(regenweerafvoer)- en DWA(droogweerafvoer)-buizen gedimensioneerd in functie van regenbuien, verharde oppervlaktes, lozing van afvalwaterdebieten en het feit dat er buffering voorzien is op openbaar domein voor regenweerafvoer. Bovendien zijn deze DWA-buizen gedimensioneerd er van uitgaande dat alle gebouwen en/of verharde oppervlaktes met afkoppelingsplicht effectief afgekoppeld zijn. Indien een zakelijk gerechtigde van een gebouw en/of verharde oppervlakte met afkoppelingsplicht evenwel niet afkoppelt, dan moet deze al zijn afvalwater en hemelwater lozen in de DWA-buis die daar, zoals gesteld, duidelijk niet op gedimensioneerd is. Dit wil zeggen dat, in het bijzonder bij piekbuien, betrokkene zijn afvalwater en hemelwater dreigt niet afdoende te kunnen afvoeren. Dit kan duidelijk leiden tot overstromingsgevaar of afvoerproblemen en geurhinder op de niet-afgekoppelde site zelf omdat het afvalwater en hemelwater sowieso zijn (uit)weg zal zoeken. Om voorgaande redenen is het belangrijk dat, waar verplicht, zo veel mogelijk wordt afgekoppeld. Om redenen van gelijkheid is het aangewezen om het belastingtarief te bepalen in functie van de oppervlakte die niet werd afgekoppeld conform de toepasselijke hogere regelgeving (Vlarem II en wijzigingen).
Het afkoppelen is, zoals gesteld, een wettelijke verplichting.
De afkoppeling van regenwater van de openbare riolering heeft een positieve invloed op de efficiëntie en op het rendement van de rioolwaterzuiveringsinstallaties, het regenwater moet maximaal worden afgekoppeld van de openbare riolering en in de mate van het mogelijke worden hergebruikt.
De gemeente investeert sterk in de aanleg van gescheiden rioleringssystemen, waarbij het wenselijk is de inwoners aan te sporen het regenwater op privéterrein af te koppelen om zo de rendabiliteit van de investeringen te verhogen.
Het moet worden vermeden dat eigenaars de gevraagde afkoppelingswerken niet of laattijdig uitvoeren, waardoor het rioleringsproject voor de gemeente nog duurder wordt omdat de toegezegde subsidies niet kunnen worden verkregen.
Bovendien, zodra er ernstige problemen zijn met het afvoeren van afvalwater en/of hemelwater, wordt de gemeente ter zake aangesproken, ook al ligt het initiële probleem op de private eigen site (cfr. supra gesteld). Om hierop te anticiperen of te reageren kunnen er, wanneer niet tijdig afgekoppeld wordt, bijkomende werken uitgevoerd worden in opdracht van de gemeente, om de afvoer van afvalwater en hemelwater op de niet-afgekoppelde site te kunnen blijven garanderen. Het is evident dat deze bijkomende uitgaven voor deze extra maatregelen bij wijze van verhaalbelasting teruggevorderd worden.
Immers de door de gemeente gedane uitgaven voor bedoelde extra maatregelen zijn een bijkomende last voor de gemeentelijke financiën die enkel nodig zijn omdat betrokken zakelijk gerechtigde niet voldaan heeft aan zijn afkoppelingsplicht en die er in het bijzonder en rechtstreeks toe bijdragen dat er een oplossing wordt geboden voor het niet voldoen aan de afkoppelingsplicht en ten goede zullen komen van betrokken zakelijk gerechtigde. Het komt dan ook redelijk en billijk over om deze uitgaven volledig te laten dragen door de rechtstreeks begunstigden. Het is dus nodig ten laste van deze begunstigden een bijzondere belasting in te voeren ‘verhaalbelasting’ genaamd.
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren.  De belastingbedragen voor niet-afkoppeling worden ook geïndexeerd om een antwoord te bieden op prijsevoluties in de algemene uitgaven.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening PB4-ACT36/0020-00/733040 van het exploitatiekrediet 2026-2031.
Artikel 1
Voor een periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 wordt een belasting geheven op het niet-afkoppelen conform de toepasselijke hogere regelgeving (Vlarem II en wijzigingen) en een verhaalbelasting extra maatregelen niet-afkoppeling.
Artikel 2
Definities:
- Afkoppelen is het realiseren van een scheiding tussen afvalwater en hemelwater op perceelsniveau naar aanleiding van de (her)aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel, conform de toepasselijke hogere regelgeving (Vlarem II en wijzigingen).
- Afkoppelingsplicht: de verplichting om af te koppelen conform de toepasselijke hogere regelgeving (Vlarem II en wijzigingen).
- Extra-maatregelen: maatregelen die de gemeente uitvoert/laat uitvoeren naar aanleiding van of na de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel bij niet-afkoppeling ondanks de afkoppelingsplicht en dit teneinde het risico dat afvalwater en/of hemelwater niet afgevoerd kan worden van het niet-afgekoppelde perceel te voorkomen/te remediëren.
Artikel 3
§1. Als belastingplichtige wordt beschouwd, de natuurlijke of rechtspersoon die op het moment van het belastbaar feit (zie artikel 4) en daarna telkens op 1 januari houder is van één van de hierna vermelde zakelijke rechten op de af te koppelen woningen, gebouwen en/of verharde oppervlaktes:
- de volle eigendom,
- het recht van opstal of van erfpacht,
- het vruchtgebruik.
§2. Ingeval van overdracht van het zakelijk recht onder levenden wordt de hoedanigheid van de belastingplichtige beoordeeld op basis van de datum van de authentieke akte van de overdracht. In het geval van eigendomsoverdracht van het onroerend goed moet de vorige eigenaar de nieuwe eigenaar informeren omtrent het bestaan van de belasting op het niet optimaal afkoppelen van hemelwater in de notariële akte en de vorige eigenaar moet de gemeente op de hoogte brengen van de verkoop ten laatste één maand na het verlijden van de authentieke akte. Bij ontstentenis van deze kennisgeving wordt de overdrager van het zakelijk recht, in afwijking van artikel 3, §2, eerste lid als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd, voor zover de gemeente op het moment van het verschuldigd worden van de belasting niet op de hoogte is dat er een overdracht van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden.
§3. In het geval van onverdeeldheid van voormeld zakelijk recht is iedere deelgenoot belastingplichtig in verhouding tot zijn deel in de af te koppelen woningen, gebouwen en/of verharde oppervlaktes, evenwel zijn zij hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting.
Artikel 4
Het belastbaar feit ontstaat:
- bij de aanvangsdatum van de (deel)fase van de rioleringswerken die aanleiding geven tot de afkoppelingsplicht, voor zover er geen positief keuringsattest van de privé-waterafvoer van een gecertificeerde keurder kan voorgelegd worden waaruit blijkt dat de verplichte afkoppeling is uitgevoerd conform de toepasselijke hogere regelgeving (Vlarem II en wijzigingen);
- of op ieder ander moment waarop vastgesteld wordt dat de verplichte afkoppeling zodanig gewijzigd werd dat ze niet langer voldoet aan de toepasselijke hogere regelgeving (Vlarem II en wijzigingen);
- of bij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen dat extra-maatregelen moeten worden uitgevoerd gelet op de vaststelling dat niet is voldaan aan de afkoppelingsplicht.
Het ontstaan van het belastbaar feit zal vastgesteld worden door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 5
§1. De belasting wordt vastgesteld op 1,23 euro per jaar, per vierkante meter bebouwde en/of verharde oppervlakte van het perceel/de percelen waarvoor de afkoppelingsplicht geldt, met een minimale aanslagvoet van 1 180 euro per jaar.
Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule:
Het totaal verschuldigde bedrag wordt afgerond op de eenheid volgens de wiskundige afrondingsregels: bedragen van 0,50 euro en hoger worden naar boven afgerond, bedragen lager dan 0,50 euro worden naar beneden afgerond.
§2. De belasting is van toepassing vanaf het vaststellen van het belastbaar feit, doch slechts pro rata van het aantal nog te verstrijken volledige maanden in het lopende kalenderjaar tot en met 31 december. Daarna is de belasting jaarlijks verschuldigd op 1 januari van elk jaar tot en met het jaar waarin de mededeling gebeurt van uitvoering van de nodige afkoppelingswerken.
Vanaf het tweede jaar is de belasting ondeelbaar en voor het volledige begonnen jaar verschuldigd.
§3. De in §2 bedoelde mededeling moet gebeuren per aangetekend schrijven of door afgifte tegen ontvangstbewijs gericht aan het college van burgemeester en schepenen, Vanackerestraat 16 te 8560 Wevelgem. Deze mededeling moet bevestigd worden door een bijgevoegd positief keuringsattest van de privé-waterafvoer afgeleverd door een gecertificeerde keurder waaruit blijkt dat aan de afkoppelingsplicht overeenkomstig de toepasselijke hogere regelgeving (Vlarem II en wijzigingen) voldaan is.
Voor het jaar van voornoemde mededeling wordt verwezen naar het subsidiereglement afkoppelingswerken op privaat domein.
§4. Indien de gemeente extra-maatregelen heeft uitgevoerd/laten uitvoeren omdat een perceel niet is afgekoppeld op het moment van het belastbaar feit zoals bedoeld in artikel 4, zullen de uitgaven voor de extra maatregelen die worden genomen, teruggevorderd worden van de zakelijk gerechtigde op het moment van het belastbaar feit, ongeacht of de zakelijk gerechtigde na het moment van het belastbaar feit nog afkoppelt.
De terugvorderbare uitgaven omvatten alle uitgaven voor de extra maatregelen die worden genomen, teneinde het risico dat afvalwater en/of hemelwater niet afgevoerd kan worden van het niet afgekoppelde perceel te voorkomen/te beperken/te remediëren.
Artikel 6
De belasting wordt ingevorderd bij middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 7
§1. Dit belastingreglement treedt in werking vanaf 1 januari 2026 en is geldig tot en met 31 december 2031. 
§2. De belastingplichtigen die reeds belast werden krachtens het belastingreglement niet-afkoppeling van 13 december 2019 blijven belastbaar telkens op 1 januari van elk jaar en dit vanaf 1 januari 2026 tot en met het jaar waarin mededeling gebeurt van uitvoering van de nodige afkoppelingswerken zoals bedoeld in artikel 5.
Het reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van voetpaden en boordstenen wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van voetpaden en boordstenen.
Dit reglement maakt, enerzijds, recentelijk voorwerp uit van veel betwisting. Anderzijds noopt de financiële toestand van de gemeente het behoud van bestaande belastingen om de budgettaire evenwichten en de continuïteit van de gemeentelijke dienstverlening niet in het gedrang te brengen. Het is dan ook moeilijk om dit reglement per direct af te schaffen door het niet te hernieuwen. In tijden van budgettaire krapte is het aangewezen om deze verhaalbelasting – in het licht van de gewijzigde beleidsvisie – uit te faseren. Door te werken met een uitfasering kan de gemeente haar financiële evenwichten behouden, terwijl voor alle belastingplichtigen een duidelijke, voorspelbare en billijke overgang wordt verzekerd. Verder past een uitfasering - met de intentie van huidige bestuursploeg om na deze uitdovingsperiode van 5 jaar, deze verhaalbelasting als afgeschaft te beschouwen - in de huidige visie omtrent ontharding en onthardingsstrategie van de lokale besturen.
Om voorgaande redenen wordt voorgesteld om dit belastingreglement ongewijzigd opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030 op 3 aanpassingen na.
Op deze manier wenst de gemeente deze verhaalbelasting verder te heffen met de bedoeling om de kosten van bedoelde uitrustingswerken terug te vorderen en dit nog tot en met 31 december 2030.
Het aanleggen van voetpaden en boordstenen komt in het bijzonder en rechtstreeks ten goede van de aangelande eigendommen, bewoners of gebruikers en hun bezoekers kunnen op een vlotte manier toegang nemen tot het aangelande eigendom. De aanleg bevordert de veiligheid omdat de panden niet rechtstreeks aansluiten op de rijweg. Het komt dan ook redelijk en billijk over om deze uitgaven te laten dragen door de rechtstreeks begunstigden.
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren.
De vermelde uitzonderingen betreffen:
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/732300 van het exploitatiekrediet 2026-2030.  
Artikel 1
Voor een periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030 wordt een verhaalbelasting geheven op het aanleggen van voetpaden en boordstenen. 
Artikel 2
§1. De eigendommen, gelegen langs openbare wegen of gedeelten van openbare wegen, waarlangs voetpaden worden aangelegd, waar voorheen geen verharde voetpaden aangelegd door of in opdracht van de gemeente aanwezig waren, worden onderworpen aan een jaarlijkse directe belasting waarbij de door de gemeente gedane kosten worden teruggevorderd.
Met verharde voetpaden worden bedoeld:
- voetpaden in dallen
- voetpaden in betonstraatstenen
- voetpaden in natuursteen (kasseien, platines).
§2 Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op de som van de terugvorderbare uitgaven, verhoogd met de intresten.
Artikel 3
§1. De terugvorderbare uitgaven omvatten de kosten voor de grondwerken, de fundering en de verharding, verhoogd met de kosten voor het ereloon voor de opmaak en opvolging van de werken en dit ongeacht de eventuele subsidie die zou verkregen zijn voor de werken, evenwel beperkt tot een maximum van 67,52 euro/m². Deze uitgaven worden berekend op de volledige straatlengte van het kadastraal perceel. De maximum verhaalbare breedte van het voetpad bedraagt 2 meter.
§2. Bijzondere bepaling voor percelen, gelegen op de hoek van twee of meerdere openbare wegen.
1. Als het kadastraal perceel gelegen is op de hoek van twee of meerdere openbare wegen, waarlangs gelijktijdig werken worden uitgevoerd die aanleiding geven tot het heffen van onderhavige verhaalbelasting, dan wordt voor het berekenen van de terugvorderbare uitgaven, enkel rekening gehouden met de kostprijs van de werken aan deze zijde van het perceel met de grootste straatlengte.
2. Als het kadastraal perceel gelegen is op de hoek van twee of meerdere openbare wegen, waarlangs de werken achtereenvolgens langs verschillende straatzijden van het betrokken perceel worden uitgevoerd en dit op basis van duidelijk van elkaar onderscheiden opdrachten, dan wordt de heffing berekend op basis van de straatlengte van het betrokken perceel, waarlangs de werken worden uitgevoerd en dit in de volgorde waarin de werken langs de onderscheiden straatzijden worden uitgevoerd.
Met de werken die later worden uitgevoerd langs een andere zijde van het perceel, wordt echter enkel rekening gehouden als de straatzijde waarlangs deze worden uitgevoerd groter is dan de zijde waarlangs voorheen al gelijkaardige werken werden uitgevoerd die aanleiding gaven tot een heffing in het kader van onderhavig reglement.
Bovendien wordt in dergelijk geval enkel het aantal meter straatzijde in aanmerking genomen dat groter is dan de straatzijde op basis waarvan de vorige heffing(en) werd(en) berekend.
3. Wanneer het gaat om een afgesneden of afgeronde hoek, gevormd door twee openbare wegen, dan wordt de lengte van de straatzijde bepaald door de projectie van de afstand tussen de uiterste punten van het perceel op de straatzijde.
Artikel 4
§1. De invordering van de verhaalbelasting wordt gespreid over tien jaar. De eerste jaarlijkse belasting is verschuldigd op de eerste januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken, zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, en vervolgens telkens op 1 januari van de volgende aanslagjaren, onverminderd artikel 5.
§2. De jaarlijkse belasting omvat de jaarlijkse schijf van 1/10de van het terug te betalen kapitaal dat aangewend werd ter betaling van de terugvorderbare uitgaven, vermeerderd met het bedrag van de intrest die op het niet-teruggestorte gedeelte moet worden betaald, met dien verstande dat enkel interest wordt berekend op het niet-teruggestorte gedeelte dat opeisbaar wordt, overeenkomstig dit reglement, uiterlijk op 31 december 2030.
De toe te passen rentevoet is de eerste IRS-ASK rentevoet op tien jaar die op 1 januari van het jaar volgend op de voorlopige oplevering van de werken beschikbaar is, verhoogd met 75 basispunten. De toe te passen rentevoet kan nooit negatief zijn. De voorlopige oplevering van de werken blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen. De rentevoet blijft gehandhaafd gedurende de ganse looptijd waarin de verhaalbelasting verschuldigd is.
De jaarlijkse belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar.
Artikel 5
De belastingplichtige kan, te allen tijde, het eigendom ontlasten van het bedrag van de terugvorderbare uitgave die erop betrekking heeft, door aan de gemeente het bedrag van de nog niet-eisbare schijven van het kapitaal te storten, weliswaar beperkt tot de niet‑eisbare kapitaalschijven die, overeenkomstig dit reglement, opeisbaar zullen worden uiterlijk op 31 december 2030.
De intrest is steeds verschuldigd voor het jaar tijdens hetwelk de betaling plaats heeft.
Artikel 6
§1. Als belastingplichtige wordt beschouwd, de natuurlijke of rechtspersoon die op het moment van het verschuldigd worden van de belasting houder is van één van de hierna vermelde zakelijke rechten op het eigendom:
- de volle eigendom,
- het recht van opstal of van erfpacht,
- het vruchtgebruik.
§2. Ingeval van overdracht van het zakelijk recht onder levenden, is de nieuwe zakelijk gerechtigde de belasting verschuldigd met ingang van 1 januari volgend op de datum van de authentieke akte van overdracht.
§3. In het geval van onverdeeldheid van voormeld zakelijk recht is iedere deelgenoot belastingplichtig in verhouding tot zijn deel in het eigendom, evenwel zijn zij hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting.
Wanneer het eigendom bestaat uit een gebouw met meerdere appartementen, waarop de verschillende zakelijk gerechtigden een uitsluitend recht hebben, dan wordt de belasting die betrekking heeft op het gebouw, verdeeld onder hen in verhouding van hun respectief aandeel in de gemeenschappelijke gedeelten.
Artikel 7
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 8
Worden op het kohier gebracht de belastingplichtingen, aangeduid zoals bepaald in artikel 6 ingevolge hun hoedanigheid van belastingplichtige op 1 januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken die aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van de belasting zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen en op 1 januari van ieder volgend aanslagjaar tot het kapitaal en de eventuele intresten gedelgd zijn.
Artikel 9
§1. Dit belastingreglement treedt in werking op 1 januari 2026 en is geldig tot en met 31 december 2030.  Meer bepaald is dit reglement van toepassing op de werken waarvan de voltooiing blijkt uit de voorlopige oplevering zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen tijdens een periode ingaand op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2030.
§2. De bepalingen van de vroeger van kracht zijnde reglementen houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van voetpaden en boordstenen (zoals eerder goedgekeurd dan 11 december 2025) blijven onverminderd en integraal van toepassing op de toestanden die tijdens hun bestaansduur ontstonden, meer bepaald voor werken waarvan de voltooiing blijkt uit de voorlopige oplevering van de werken (zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen) vóór 1 januari 2026. In afwijking hiervan wordt het in artikel 3, §1, van dit reglement vastgelegde maximum van 67,52 euro per m² vanaf inwerkingtreding van huidig reglement eveneens toegepast op werken waarvan de voltooiing blijkt uit de voorlopige oplevering, vastgesteld bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen, vóór 1 januari 2026. Dit maximum geldt in dat geval enkel voor de schijven die vanaf 1 januari 2026 opeisbaar worden; reeds opeisbaar geworden schijven blijven ongewijzigd behouden volgens de bepalingen van de vroeger van kracht zijnde reglementen.
§3. In geval van opheffing of niet-hernieuwing van huidig reglement of in geval van verlaging van de mate van terugvorderbaarheid van de gedane uitgaven (cfr. artikel 3), zullen aan de belastingplichtigen die tot de bevrijding volgens artikel 5 overgegaan zijn, de bedragen terugbetaald worden, die ingevolge de gezegde opheffing, niet-hernieuwing of verlaging beschouwd moeten worden als zijnde ten onrechte toegevallen aan de gemeente.
Het reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van wegenuitrusting wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van wegenuitrusting. Het is aangewezen dit belastingreglement opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
De door de gemeente gedane uitgaven voor de aanleg, de verbetering en de uitrusting van de openbare wegen betekenen een zware last voor de gemeentelijke financiën. Ook al gaat het om uitgaven van algemeen belang, toch dragen ze in het bijzonder en rechtstreeks bij aan het in de hand werken van de verkoopwaarde van de eigendommen gelegen langsheen de aangelegde of uitgeruste wegen. Het aanleggen van wegenuitrusting komt derhalve in het bijzonder en rechtstreeks ten goede van de aangelande eigendommen. Het komt dan ook redelijk en billijk over om deze uitgaven te laten dragen door de rechtstreeks begunstigden.
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/732100 van het exploitatiekrediet 2026-2031.   
Artikel 1
Voor een periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 wordt een verhaalbelasting geheven op het aanleggen van wegenuitrusting.
Artikel 2
§1. De eigendommen, gelegen langs een openbare weg, waarin door de gemeente grondwerken en wegbedekkingen worden uitgevoerd en/of trottoirbanden worden geplaatst voor de aanleg, de verbreding, de rechttrekking of verlenging van een openbare weg, worden onderworpen aan een jaarlijkse directe belasting waarbij de kosten die door de gemeente zijn gemaakt voor deze werken, worden teruggevorderd.
§2. Van deze belasting zijn vrijgesteld de eigendommen die gedurende een ononderbroken periode van minstens dertig jaar reeds bereikbaar waren via een bestaande publiek toegankelijke/openbare wegenis. Onder ‘wegenis’ wordt verstaan: elke feitelijke toegangsweg in verhard materiaal, waaronder onder meer dolomiet, grind, beton, asfalt of gelijkwaardig materiaal wordt begrepen.
§3. De kosten voor onderhoudswerken worden niet teruggevorderd.
§4. De belasting is niet van toepassing voor kadastrale percelen waarop al een bewoonbare woning staat en die bereikbaar is via een bestaande weg, verhard in asfalt, beton of betonstraatstenen.
Als deze percelen worden gesplitst om bijkomende woningbouw te realiseren, zal bij aflevering van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor de nieuw gerealiseerde percelen alsnog een belasting verschuldigd zijn vanaf 1 januari volgend op het afleveren van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.
§5. Wanneer een eigendom of een gedeelte van een eigendom niet rechtstreeks uitweg kan nemen tot de openbare weg waar de werken plaatsvinden, maar dit moet doen via het openbaar domein, dan wordt de belasting, berekend overeenkomstig artikel 4, waarbij uitgegaan wordt van de veronderstelling dat dit private domein grenst aan de openbare weg waar de werken plaatsvinden.
§6. Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op 100% van de som van de terugvorderbare uitgaven.
Artikel 3
De terugvorderbare uitgaven zijn: de som van volgende uitgaven, in de mate dat ze budgettair ten laste vallen van de gemeentekas en dit ongeacht de eventuele subsidie die zou verkregen zijn voor de werken:
- de kosten voor het opmaken van het ontwerp en andere studies die verband houden met de werken,
- de kosten van de grondwerken, van de funderingen en van de wegbedekkingen,
- de kosten van de boordstenen, van greppels, en van hun plaatsing,
- de kosten van de uitrusting nodig voor de afvoer van waters, andere dan afvalwaters,
- de kosten van verplaatsing of afbraak of wegnemen van leidingen en bouwwerken, alsmede de kosten van verplaatsing van beplantingen nodig voor het uitvoeren van de werken,
- de kosten van toezicht en aanbesteding, die 8% van de kosten van de werken niet mogen overschrijden,
- de kosten voortspruitend uit technische moeilijkheden die ondervonden worden bij het uitvoeren van de werken.
Het bedrag van de terugvorderbare uitgaven wordt berekend op een maximumbreedte van de weg van 9 meter. Wanneer de door de gemeente aangelegde wegenis een grotere breedte heeft dan 9 meter zal, op basis van de evenredigheidsregel, een schatting worden gemaakt van de kostprijs voor de aanleg van wegenis met een breedte van 9 meter. De gemeente neemt dan het verschil tussen de effectieve kostprijs van de werken en de schatting van de kostprijs voor de aanleg van wegenis met een breedte van 9 meter voor haar rekening.
Artikel 4
§1. De invordering van de verhaalbelasting wordt gespreid over tien jaar. De eerste jaarlijkse belasting is verschuldigd op de eerste januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken, zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, en vervolgens op 1 januari van de volgende negen aanslagjaren, onverminderd artikel 9.
§2. Het bedrag van de belasting is gelijk aan de ‘eenheidsprijs per strekkende meter’ vermenigvuldigd met de lengte van het eigendom aan de straatzijde, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 5.
De eenheidsprijs per strekkende meter wordt bekomen door het geheel van de terugvorderbare uitgaven te delen door de totale lengte van de eigendommen aan de straatzijde.
Wanneer het gaat om een afgesneden of afgeronde hoek gevormd door twee openbare wegen, wordt, voor de berekening van het bedrag van de verschuldigde belasting, de lengte ervan voor de helft aangerekend langs elke straatzijde.
Artikel 5
Wanneer er twee of meer eigendommen of gedeelten van eigendommen gelegen zijn binnen een van de zones die zich langs beide zijden van de weg uitstrekken, over een diepte van 12 meter, dan wordt de belasting, welke berekend wordt overeenkomstig artikel 4, verdeeld onder de betrokken eigenaars in verhouding tot de oppervlakte welke zij binnen de betrokken zone bezitten.
Wanneer er een strook non aedificandi bestaat, wordt er voor de berekening van de diepte van 12 meter, zoals bedoeld in alinea 1, met de diepte van deze strook geen rekening gehouden.
Artikel 6
In de mate waarin de stroken, bepaald in het voorgaande artikel elkaar overlappen, kan een eigendom of een gedeelte van een eigendom niet tweemaal worden belast wegens werken uitgevoerd in twee verschillende wegen. Het gedeelte dat overlapt, wordt dan 1 maal vrijgesteld.
Wanneer werken gelijktijdig aan twee verschillende wegen uitgevoerd worden, geldt de vrijstelling voor de belasting welke verschuldigd is voor de werken aan de weg waar de belasting het laagst is.
Dit artikel is niet van toepassing op de hoekterreinen.
Artikel 7
Het eigendom of gedeelte van een eigendom gelegen op de hoek van twee openbare wegen of van twee gedeelten van de openbare weg en dat langs elk van deze wegen of gedeelten van de weg aan de straatzijde gelegen is, wordt vrijgesteld:
a) als de werken achtereenvolgens in de twee wegen uitgevoerd werden voor de verwezenlijking van verschillende ontwerpen en in het kader van verschillende opdrachten: voor de belasting die verschuldigd is voor de weg waar de werken in laatste instantie uitgevoerd werden.
b) als de werken gelijktijdig in de twee wegen uitgevoerd werden: voor de belasting die verschuldigd is voor de weg waar de belasting op basis van de gevellengte van het eigendom het laagst is.
Deze bepaling is slechts van toepassing wanneer de assen van de wegen of gedeelten van openbare wegen tegenover het betrokken eigendom een hoek vormen van ten hoogste 120°.
Bovendien worden de door onderhavig artikel toegestane vrijstellingen slechts berekend op een maximale gevellengte van het eigendom van 40 meter langs elke weg of gedeelte van een weg.
Wanneer het gaat om een afgesneden of afgeronde hoek wordt de lengte ervan voor de helft aangerekend langs elke straatzijde of gedeelte van een straatzijde.
De verkaveling of de wijziging van de oppervlakte van een eigendom brengt geen verandering in de bij onderhavig artikel bepaalde vrijstelling.
Artikel 8
De jaarlijkse belasting omvat de jaarlijkse schijf van 1/10de van het terug te betalen kapitaal dat aangewend werd ter betaling van de terugvorderbare uitgaven, vermeerderd met het bedrag van de intrest die op het niet-teruggestorte gedeelte moet worden betaald.
De toe te passen rentevoet is de eerste IRS-ASK rentevoet op tien jaar die op 1 januari van het jaar volgend op de voorlopige oplevering van de werken beschikbaar is, verhoogd met 75 basispunten. De toe te passen rentevoet kan nooit negatief zijn. De voorlopige oplevering van de werken blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen. De rentevoet blijft gehandhaafd gedurende de ganse looptijd waarin de verhaalbelasting verschuldigd is.
De jaarlijkse belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar.
Artikel 9
De belastingplichtige kan, te allen tijde, het eigendom ontlasten van het bedrag van de terugvorderbare uitgave die erop betrekking heeft, door aan de gemeente het bedrag van de nog niet eisbare schijven van het kapitaal te storten.
De intrest is steeds verschuldigd voor het jaar tijdens hetwelk de betaling plaats heeft.
Artikel 10
§1. Als belastingplichtige wordt beschouwd, de natuurlijke of rechtspersoon die op het moment van het verschuldigd worden van de belasting houder is van één van de hierna vermelde zakelijke rechten op het eigendom:
- de volle eigendom,
- het recht van opstal of van erfpacht,
- het vruchtgebruik.
§2. Ingeval van overdracht van het zakelijk recht onder levenden, is de nieuwe zakelijk gerechtigde de belasting verschuldigd met ingang van 1 januari volgend op de datum van de authentieke akte van overdracht
§3. In het geval van onverdeeldheid van voormeld zakelijk recht is iedere deelgenoot belastingplichtig in verhouding tot zijn deel in het eigendom, evenwel zijn zij hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting.
Wanneer het eigendom bestaat uit een gebouw met meerdere appartementen, waarop de verschillende eigenaars een uitsluitend recht hebben, dan wordt de belasting die betrekking heeft op het gebouw, verdeeld onder hen in verhouding van hun respectief aandeel in de gemeenschappelijke gedeelten.
Artikel 11
De belasting wordt uitgesteld in de volgende gevallen:
1° wanneer de huidige belastingplichtige vrijgesteld is ingevolge de wetten en besluiten.
2° voor de niet-bebouwde terreinen welke gelegen zijn in de landelijke gedeelten van de gemeenten zoals bepaald door het gewestplan. Dit landelijk gedeelte omvat de agrarische gebieden, de bosgebieden, de groengebieden, de parkgebieden, de bufferzones en alle andere zones waarop het in beginsel niet toegelaten is exclusief woongebouwen op te richten zoals vermeld in het goedgekeurd gewestplan.
3° voor de terreinen waarop het ingevolge een beslissing van de overheid niet toegelaten of niet mogelijk is te bouwen; ter zake worden de aaneenpalende terreinen, die aan eenzelfde eigenaar toebehoren als één geheel beschouwd.
4° voor terreinen van openbaar nut.
Wanneer de toestand om reden waarvan de belasting uitgesteld werd, geheel of gedeeltelijk een einde neemt voor het verstrijken van een periode van tien jaar te rekenen vanaf het eerste aanslagjaar, is de jaarlijkse belasting verschuldigd vanaf 1 januari hierop volgend.
Als, bij het verstrijken van de tien jaren, deze toestand nog geen einde genomen heeft, wordt het goed definitief vrijgesteld.
Artikel 12
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen. 
Artikel 13
Worden op het kohier gebracht de belastingplichtigen, aangeduid zoals bepaald in artikel 10 ingevolge hun hoedanigheid van belastingplichtige op 1 januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken die aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van de belasting zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen en op 1 januari van ieder volgend aanslagjaar tot het kapitaal en de eventuele intresten gedelgd zijn.
Artikel 14
§1. Dit belastingreglement treedt in werking op 1 januari 2026 en is geldig tot en met 31 december 2031. Meer bepaald is dit reglement van toepassing op de werken waarvan de voltooiing blijkt uit de voorlopige oplevering zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen tijdens een periode ingaand op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031.
§2. De bepalingen van de vroeger van kracht zijnde reglementen betreffende de verhaalbelasting op het aanleggen van wegenuitrusting (zoals eerder goedgekeurd dan 11 december 2025) blijven onverminderd en integraal van toepassing op de toestanden die tijdens hun bestaansduur ontstonden, meer bepaald voor werken waarvan de voltooiing blijkt, uit de voorlopige oplevering van de werken (zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen) vóór 1 januari 2026.
§3. In geval van opheffing of niet-hernieuwing van deze verordening of wanneer een gunstiger belastingregime wordt aangenomen voor het verstrijken van de terugbetalingstermijn, wordt het eisbaar geworden kapitaal van de belastingschuld terugbetaald aan de belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 9 hun belastingaandeel geheel of gedeeltelijk in een stuk hebben betaald.
Het reglement houdende de verhaalbelasting op het verwerven van de zate van de weg wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het reglement houdende de verhaalbelasting op het verwerven van de zate van de weg. Het is aangewezen dit belastingreglement opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.  
De door de gemeente gedane uitgaven voor de verwerving van de zate van de weg naar aanleiding van de aanleg, de verbetering en de uitrusting van de openbare wegen betekenen een zware last voor de gemeentelijke financiën. Ook al gaat het om uitgaven van algemeen belang, toch dragen ze in het bijzonder en rechtstreeks bij aan het in de hand werken van de verkoopwaarde van de eigendommen gelegen langsheen de aangelegde of uitgeruste wegen. Het verwerven van de zate van de weg komt derhalve in het bijzonder en rechtstreeks ten goede van de aangelande eigendommen. Het komt dan ook redelijk en billijk over om deze uitgaven te laten dragen door de rechtstreeks begunstigden.
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/732000 van het exploitatiekrediet 2026-2031. 
Artikel 1
Voor een periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 wordt een verhaalbelasting geheven op het verwerven van de zate van de weg.
Artikel 2
§1. De eigendommen, gelegen langs openbare wegen of gedeelten van openbare wegen, die moeten worden aangelegd, verbreed, rechtgetrokken of verlengd, worden onderworpen aan een jaarlijkse directe belasting waarbij de kosten die door de gemeente zijn gemaakt voor de verwervingen van de zate van de weg naar aanleiding van deze werken, worden teruggevorderd.
§2. De belasting is van toepassing, ongeacht of er al dan niet inlijving van een particuliere eigendom is geweest ingevolge afstand onder bezwarende titel, ruiling of onteigening.
§3. De belasting is niet van toepassing op de eigenaar die kosteloos de helft van het terrein heeft afgestaan, gelegen vóór zijn eigendom en die noodzakelijk is voor de aanleg, de verbreding, de rechttrekking of de verlenging van de openbare weg.
Om op deze vrijstelling aanspraak te kunnen maken, moet deze helft in geen enkel geval meer bedragen dan 6 vierkante meter per lopende meter gevellengte langs de straat.
§4. Als de eigenaar een perceel afstaat dat groter is dan bovengenoemd gedeelte van de openbare weg, is hem een vergoeding tegen schattingswaarde verschuldigd.
Als hij minder afstaat, wordt hij aan de belasting onderworpen voor het verschil.
§5. De belasting is evenmin van toepassing voor kadastrale percelen waarop al een bewoonbare woning staat en die bereikbaar zijn via een bestaande weg, verhard in asfalt, beton of betonstraatstenen.
§6. Als de percelen die krachtens §3 tot §5 van dit artikel werden vrijgesteld, later worden gesplitst om bijkomende woningbouw te realiseren, zal bij aflevering van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor de nieuw gerealiseerde percelen alsnog een belasting verschuldigd zijn vanaf 1 januari volgend op het afleveren van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.
§7. Wanneer een eigendom of een gedeelte van een eigendom niet rechtstreeks uitweg kan nemen tot de openbare weg waar de werken plaatsvinden, maar dit moet doen via het openbaar domein, dan wordt de belasting, berekend overeenkomstig artikel 4, waarbij uitgegaan wordt van de veronderstelling dat dit private domein grenst aan de openbare weg waar de werken plaatsvinden.
§8. Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op 100% van de som van de terugvorderbare uitgaven.
Artikel 3
De terugvorderbare uitgaven zijn, en dit ongeacht de eventuele subsidie die zou verkregen zijn voor de verwervingen of de werken:
- de kosten voor het opstellen van de plannen voor het verwerven van de grond,
- de prijs van de verwervingen, hetzij de onteigeningsvergoeding, hetzij de prijs van de aankoop in der minne van de terreinen welke in de zate van de weg werden opgenomen. Als het terrein sedert meer dan vijf jaar aangekocht werd op het ogenblik dat de aankoopverrichtingen een einde nemen, wordt er rekening gehouden, niet met de aankoopprijs, doch met de huidige verkoopwaarde,
- de waarde van de terreinen welke door de gemeente werden afgestaan, of er ruiling geweest is of niet,
- de kosten van de noodzakelijke akten, certificaten en getuigschriften,
- de gerechtskosten die gepaard gaan met de onteigeningen.
Het bedrag van de terugvorderbare uitgaven wordt verminderd met de geschatte waarde van de gebeurlijke overschotten van de vroegere weg.
Het bedrag van de terugvorderbare uitgaven wordt berekend op een maximum wegbreedte van 12 meter.
Artikel 4
§1. De invordering van de verhaalbelasting wordt gespreid over tien jaar. De eerste jaarlijkse belasting is verschuldigd op de eerste januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken (waarvoor de zate van de weg werd verworven), zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, en vervolgens op 1 januari van de volgende negen aanslagjaren, onverminderd artikel 9.
§2. Het bedrag van de belasting is gelijk aan de ‘eenheidsprijs per strekkende meter’ vermenigvuldigd met de lengte van het eigendom aan de straatzijde, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 5.
De eenheidsprijs per strekkende meter is gelijk aan de uitkomst van de deling van het geheel van de terugvorderbare uitgaven, verhoogd met de schattingswaarde van de kosteloos afgestane terreinen, door de totale lengte van de eigendommen aan de straatzijde.
Wanneer het gaat om een afgesneden of afgeronde hoek, gevormd door twee openbare wegen wordt, voor de berekening van het bedrag van de verschuldigde belasting, de lengte ervan voor de helft aangerekend langs elke straatzijde.
Artikel 5
Wanneer er twee of meer eigendommen of gedeelten van eigendommen gelegen zijn binnen een van de zones die zich langs beide zijden van de weg uitstrekken, over een diepte van 12 meter, dan wordt de belasting, welke berekend wordt overeenkomstig artikel 4, verdeeld onder de betrokken eigenaars in verhouding tot de oppervlakte welke zij binnen de betrokken zone bezitten.
Wanneer een strook non aedificandi bestaat, wordt er voor de berekening van de diepte van 12 meter, zoals bedoeld in alinea 1, met de diepte van deze strook geen rekening gehouden.
Artikel 6
In de mate waarin de stroken, bepaald in het voorgaande artikel elkaar overlappen, kan een eigendom of een gedeelte van een eigendom niet tweemaal worden belast wegens grondverwervingen uitgevoerd in twee verschillende wegen. Het gedeelte dat overlapt, wordt dan 1 maal vrijgesteld.
Wanneer werken gelijktijdig aan twee verschillende wegen uitgevoerd worden, geldt de vrijstelling voor de belasting welke verschuldigd is voor de werken aan de weg waar de belasting het laagst is.
Dit artikel is niet van toepassing op de hoekterreinen.
Artikel 7
Het eigendom of gedeelte van een eigendom gelegen op de hoek van twee openbare wegen of van twee gedeelten van de openbare weg en dat langs elke van deze wegen of gedeelten van de weg aan de straatzijde gelegen is, wordt vrijgesteld:
a) als de aankoopverrichtingen achtereenvolgend in de twee wegen uitgevoerd werden voor de verwezenlijking van verschillende ontwerpen en in het kader van verschillende opdrachten: voor de belasting die verschuldigd is voor de weg waar de verrichtingen in laatste instantie uitgevoerd werden.
b) als de aankoopverrichtingen gelijktijdig in de twee wegen uitgevoerd werden: voor de belasting die verschuldigd is voor de weg waar de belasting op basis van de gevellengte van het eigendom het laagst is.
Deze bepaling is slechts van toepassing wanneer de assen van de wegen of gedeelten van openbare wegen tegenover het betrokken eigendom een hoek vormen van ten hoogste 120°.
Bovendien worden de door onderhavig artikel toegestane vrijstellingen slechts berekend op een maximale gevellengte van het eigendom van 40 meter langs elke weg of gedeelte van een weg.
Wanneer het gaat om een afgesneden of afgeronde hoek wordt de lengte ervan voor de helft aangerekend langs elke straatzijde of gedeelte van een straatzijde.
De verkaveling of de wijziging van de oppervlakte van een eigendom brengt geen verandering in de bij onderhavig artikel bepaalde vrijstelling.
Artikel 8
De jaarlijkse belasting omvat de jaarlijkse schijf van 1/10de van het terug te betalen kapitaal dat aangewend werd ter betaling van de terugvorderbare uitgaven, vermeerderd met het bedrag van de intrest die op het niet-teruggestorte gedeelte moet worden betaald.
De toe te passen rentevoet is de eerste IRS-ASK rentevoet op tien jaar die op 1 januari van het jaar volgend op de voorlopige oplevering van de werken beschikbaar is, verhoogd met 75 basispunten. De toe te passen rentevoet kan nooit negatief zijn. De voorlopige oplevering van de werken blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen. De rentevoet blijft gehandhaafd gedurende de ganse looptijd waarin de verhaalbelasting verschuldigd is.
De jaarlijkse belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar.
Artikel 9
De belastingplichtige kan, te allen tijde, het eigendom ontlasten van het bedrag van de terugvorderbare uitgave die erop betrekking heeft, door aan de gemeente het bedrag van de nog niet eisbare schijven van het kapitaal te storten.
De intrest is steeds verschuldigd voor het jaar tijdens hetwelk de betaling plaats heeft.
Artikel 10
§1. Als belastingplichtige wordt beschouwd, de natuurlijke of rechtspersoon die op het moment van het verschuldigd worden van de belasting houder is van één van de hierna vermelde zakelijke rechten op het eigendom:
- de volle eigendom,
- het recht van opstal of van erfpacht,
- het vruchtgebruik.
§2. Ingeval van overdracht van het zakelijk recht onder levenden, is de nieuwe zakelijk gerechtigde de belasting verschuldigd met ingang van 1 januari volgend op de datum van de authentieke akte van overdracht
§3. In het geval van onverdeeldheid van voormeld zakelijk recht is iedere deelgenoot belastingplichtig in verhouding tot zijn deel in het eigendom, evenwel zijn zij hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting.
Wanneer het eigendom bestaat uit een gebouw met meerdere appartementen, waarop de verschillende eigenaars een uitsluitend recht hebben, dan wordt de belasting die betrekking heeft op het gebouw, verdeeld onder hen in verhouding van hun respectief aandeel in de gemeenschappelijke gedeelten.
Artikel 11
De belasting wordt uitgesteld in de volgende gevallen:
1° wanneer de huidige belastingplichtige vrijgesteld is ingevolge de wetten en besluiten.
2° voor de niet-bebouwde terreinen welke gelegen zijn in de landelijke gedeelten van de gemeente zoals bepaald door het gewestplan. Dit landelijk gedeelte omvat de agrarische gebieden, de bosgebieden, de groengebieden, de parkgebieden, de bufferzones en alle andere zones waarop het in beginsel niet toegelaten is exclusief woongebouwen op te richten zoals vermeld in het goedgekeurd gewestplan.
3° voor de terreinen waarop het ingevolge een beslissing van de overheid niet toegelaten of niet mogelijk is te bouwen; ter zake worden de aaneenpalende terreinen, die aan eenzelfde eigenaar toebehoren, als één geheel beschouwd.
4° voor terreinen van openbaar nut.
Wanneer de toestand om reden waarvan de belasting uitgesteld werd, geheel of gedeeltelijk een einde neemt voor het verstrijken van een periode van tien jaar te rekenen vanaf het eerste aanslagjaar, is de jaarlijkse belasting verschuldigd vanaf 1 januari hierop volgend.
Als, bij het verstrijken van de tien jaren, deze toestand nog geen einde genomen heeft, wordt het goed definitief vrijgesteld.
Artikel 12
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen. 
Artikel 13
Worden op het kohier gebracht de belastingplichtigen, aangeduid zoals bepaald in artikel 10 ingevolge hun hoedanigheid van belastingplichtige op 1 januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken (waarvoor de zate van de weg werd verworven) zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen en op 1 januari van ieder volgend aanslagjaar tot het kapitaal en de eventuele intresten gedelgd zijn.
Artikel 14
§1. Dit belastingreglement treedt in werking op 1 januari 2026 en is geldig tot en met 31 december 2031. Meer bepaald is dit reglement van toepassing op de verwervingen van de zate van de weg voor de werken waarvan de voltooiing blijkt uit de voorlopige oplevering zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen tijdens een periode ingaand op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031.
§2. De bepalingen van de vroeger van kracht zijnde reglementen betreffende de verhaalbelasting op het verwerven van de zate van de weg (zoals eerder goedgekeurd dan 11 december 2025) blijven onverminderd en integraal van toepassing op de toestanden die tijdens hun bestaansduur ontstonden, meer bepaald voor verwervingen voor werken waarvan de voltooiing blijkt, uit de voorlopige oplevering van de werken (zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen) vóór 1 januari 2026.
§3. In geval van opheffing of niet-hernieuwing van deze verordening of wanneer een gunstiger belastingregime wordt aangenomen voor het verstrijken van de terugbetalingstermijn, wordt het eisbaar geworden kapitaal van de belastingschuld terugbetaald aan de belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 9 hun belastingaandeel geheel of gedeeltelijk in een stuk hebben betaald.
Het reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van riolen wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van riolen. Het is aangewezen dit belastingreglement opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
De door de gemeente gedane uitgaven voor de aanleg van riolen betekenen een zware last voor de gemeentelijke financiën. Ook al gaat het om uitgaven van algemeen belang, toch dragen ze in het bijzonder en rechtstreeks bij aan het in de hand werken van de verkoopwaarde van de eigendommen gelegen langsheen de verbeterde of uitgeruste wegen. Het aanleggen van riolen komt derhalve in het bijzonder en rechtstreeks ten goede van de aangelande eigendommen. Het komt dan ook redelijk en billijk over om deze uitgaven te laten dragen door de rechtstreeks begunstigden.
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/732200 van het exploitatiekrediet 2026-2031. 
Artikel 1
Voor een periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 wordt een verhaalbelasting geheven op het aanleggen van riolen.
Artikel 2
§1. De eigendommen, gelegen langs openbare wegen of gedeelten van openbare wegen, waarin voor de eerste maal riolen worden aangelegd waar voorheen geen inbuizing voor het perceel aanwezig was, worden onderworpen aan een jaarlijkse directe belasting waarbij de kosten die door de gemeente zijn gemaakt voor de aanleg van de riolen, worden teruggevorderd.
§2. De kosten voor onderhouds-, herstellings- of vernieuwingswerken worden niet teruggevorderd.
§3. De belasting is niet van toepassing op bewoonde kadastrale percelen die voorheen al hun afvalwater afvoerden naar een zuiveringsstation, of die beschikken over een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater zoals bedoeld in Vlarem II.
Als deze percelen worden gesplitst om bijkomende woningbouw te realiseren, zal bij aflevering van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor de nieuw gerealiseerde percelen alsnog een belasting verschuldigd zijn vanaf 1 januari volgend op het afleveren van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.
§4. Wanneer een eigendom of een gedeelte van een eigendom niet rechtstreeks uitweg kan nemen tot de openbare weg waar de werken plaatsvinden, maar dit moet doen via het openbaar domein, dan wordt de belasting, berekend overeenkomstig artikel 4, waarbij uitgegaan wordt van de veronderstelling dat dit private domein grenst aan de openbare weg waar de werken plaatsvinden.
§5. Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op 100% van de som van de terugvorderbare uitgaven.
Artikel 3
De terugvorderbare uitgaven zijn: de som van volgende uitgaven, in de mate dat ze budgettair ten laste vallen van de gemeentekas en dit ongeacht de eventuele subsidie die zou verkregen zijn voor de werken:
- de kosten voor het opmaken van het ontwerp en andere studies die verband houden met de werken,
- de kosten voor het materiaal voor de aanleg van de riolering en van de plaatsing ervan, alsmede van alle bijhorigheden (wegbedekking, trottoirs, boordstenen, waterafvoer, afbraak of verplaatsing of wegnemen van leidingen en bouwwerken, verplaatsen van beplantingen, inclusief terugplaatsen van de wegbedekking, trottoirs en trottoirbanden),
- de kosten van toezicht en aanbesteding, die 8% van de kosten van de werken niet mogen overschrijden.
- kosten die voortspruiten uit tijdens de uitvoering van de werken ondervonden technische problemen, met inbegrip van profileringskosten.
Deze regeling is van toepassing op de aanleg van rioleringen tot een doorsnede van 50 cm.
Wanneer het door de gemeente geplaatste riool een grotere doorsnede heeft dan 50 cm, zal een schatting worden gemaakt van de kostprijs voor de aanleg van een riool met een doorsnede van 50 cm. De gemeente neemt dan het verschil tussen de effectieve kostprijs van de werken en de schatting van de kostprijs voor de aanleg van een riolering met 50 cm doorsnede voor haar rekening.
Artikel 4
§1. De invordering van de verhaalbelasting wordt gespreid over tien jaar. De eerste jaarlijkse belasting is verschuldigd op de eerste januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken, zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, en vervolgens op 1 januari van de volgende negen aanslagjaren, onverminderd artikel 10.
§2. Het bedrag van de belasting is gelijk aan de ‘eenheidsprijs per strekkende meter’ vermenigvuldigd met de lengte van het eigendom langs de weg of langs gedeelten van openbare wegen waarin de riolering gelegd wordt, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 5.
De eenheidsprijs per strekkende meter wordt bekomen door het geheel van de terugvorderbare uitgaven te delen door de totale lengte van de eigendommen aan de straatzijde.
Wanneer het gaat om een afgesneden of afgeronde hoek gevormd door twee openbare wegen wordt, voor de berekening van het bedrag van de verschuldigde belasting, de lengte ervan voor de helft aangerekend langs elke straatzijde.
Artikel 5
Wanneer er twee of meer eigendommen of gedeelten van eigendommen gelegen zijn binnen een van de zones die zich langs beide zijden van de weg uitstrekken, over een diepte van 12 meter, dan wordt de belasting, welke berekend wordt overeenkomstig artikel 4, verdeeld onder de betrokken eigenaars in verhouding tot de oppervlakte welke zij binnen de betrokken zone bezitten.
Wanneer er een strook non aedificandi bestaat, wordt er voor de berekening van de diepte van 12 meter, zoals bedoeld in alinea 1, met de diepte van deze strook geen rekening gehouden.
Artikel 6
In de mate waarin de stroken, bepaald in het voorgaande artikel elkaar overlappen, kan een eigendom of een gedeelte van een eigendom niet tweemaal worden belast wegens werken uitgevoerd in twee verschillende wegen. Het gedeelte dat overlapt, wordt dan 1 maal vrijgesteld.
Wanneer werken gelijktijdig aan twee verschillende wegen uitgevoerd worden, geldt de vrijstelling voor de belasting welke verschuldigd is voor de werken aan de weg waar de belasting het laagst is.
Dit artikel is niet van toepassing op hoekterreinen.
Artikel 7
Wanneer het, omwille van de breedte van de weg of om een andere technische reden, noodzakelijk is twee riolen aan te leggen in de openbare weg, dan worden de twee riolen beschouwd als één uitgave om het bedrag van de terugvorderbare uitgaven te bepalen.
De kosten voor de totale uitgave worden ten laste gelegd van de boordeigenaars langs beide zijden van de weg.
Wanneer het riool slechts langs één zijde van de weg wordt aangelegd en daarop ook eigendommen, gelegen langs de andere zijde van de weg, worden aangesloten, dan worden de kosten eveneens ten laste gelegd van de boordeigenaars langs beide zijden van de weg.
Artikel 8
Het eigendom of gedeelte van een eigendom gelegen op de hoek van twee openbare wegen of van twee gedeelten van de openbare weg en dat langs elk van deze wegen of gedeelten van de weg aan de straatzijde gelegen is, wordt vrijgesteld
a) als de werken achtereenvolgend in de twee wegen uitgevoerd werden voor de verwezenlijking van verschillende ontwerpen en in het kader van verschillende opdrachten: voor de belasting die verschuldigd is voor de weg waar de werken in laatste instantie uitgevoerd werden
b) als de werken gelijktijdig in de twee wegen uitgevoerd werden voor de belasting die verschuldigd is voor de weg waar de belasting op basis van de gevellengte van de eigendom het laagst is.
Deze bepaling is slechts van toepassing wanneer de assen van de wegen of gedeelten van openbare wegen tegenover het betrokken eigendom een hoek vormen van ten hoogste 120°.
Bovendien worden door onderhavig artikel toegestane vrijstellingen slechts berekend op een maximale gevellengte van het eigendom van 40 meter langs elke weg of gedeelte van een weg.
Wanneer het gaat om een afgesneden of afgeronde hoek wordt de lengte ervan voor de helft aangerekend langs elke straatzijde of gedeelte van een straatzijde.
De verkaveling of de wijziging van de oppervlakte van een eigendom brengt geen verandering in bij de onderhavig artikel bepaalde vrijstelling.
Artikel 9
De jaarlijkse belasting omvat de jaarlijkse schijf van 1/10de van het terug te betalen kapitaal dat aangewend werd ter betaling van de terugvorderbare uitgaven, vermeerderd met het bedrag van de intrest dat op het niet-teruggestorte gedeelte moet worden betaald.
De toe te passen rentevoet is de eerste IRS-ASK rentevoet op tien jaar die op 1 januari van het jaar volgend op de voorlopige oplevering van de werken beschikbaar is, verhoogd met 75 basispunten. De toe te passen rentevoet kan nooit negatief zijn. De voorlopige oplevering van de werken blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen. De rentevoet blijft gehandhaafd gedurende de ganse looptijd waarin de verhaalbelasting verschuldigd is.
De jaarlijkse belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar.
Artikel 10
De belastingplichtige kan, ten alle tijde, het eigendom ontlasten van het bedrag van de terugvorderbare uitgave die erop betrekking heeft, door aan de gemeente het bedrag van de nog niet eisbare schijven van het kapitaal te storten.
De intrest is steeds verschuldigd voor het jaar tijdens hetwelk de belasting plaats heeft.
Artikel 11
§1. Als belastingplichtige wordt beschouwd, de natuurlijke of rechtspersoon die op het moment van het verschuldigd worden van de belasting houder is van één van de hierna vermelde zakelijke rechten op het eigendom:
- de volle eigendom,
- het recht van opstal of van erfpacht,
- het vruchtgebruik
§2. Ingeval van overdracht van het zakelijk recht onder levenden, is de nieuwe zakelijk gerechtigde de belasting verschuldigd met ingang van 1 januari volgend op de datum van de authentieke akte van overdracht
§3. In het geval van onverdeeldheid van voormeld zakelijk recht is iedere deelgenoot belastingplichtig in verhouding tot zijn deel in het eigendom, evenwel zijn zij hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting.
Wanneer het eigendom bestaat uit een gebouw met meerdere appartementen, waarop de verschillende zakelijk gerechtigden een uitsluitend recht hebben, dan wordt de belasting die betrekking heeft op het gebouw, verdeeld onder hen in verhouding van hun respectief aandeel in de gemeenschappelijke gedeelten.
Artikel 12
De belasting wordt uitgesteld in de volgende gevallen:
1° wanneer de huidige belastingplichtige vrijgesteld is ingevolge de wetten en besluiten.
2° voor de niet-bebouwde terreinen welke gelegen zijn in de landelijke gedeelten van de gemeenten zoals bepaald door het gewestplan. Dit ‘landelijk gedeelte’ omvat de agrarische gebieden, de bosgebieden, de groengebieden, de parkgebieden, de bufferzones en alle andere zones waarop het in beginsel niet toegelaten is exclusief woongebouwen op te richten zoals vermeld in het goedgekeurd gewestplan.
3° voor de terreinen waarop het ingevolge een beslissing van de overheid niet toegelaten of niet mogelijk is te bouwen; ter zake worden de aaneenpalende terreinen, die aan eenzelfde eigenaar toebehoren, als een geheel beschouwd.
4° voor terreinen van openbaar nut.
Wanneer de toestand om reden waarvan de belasting uitgesteld werd, geheel of gedeeltelijk een einde neemt voor het verstrijken van een periode van tien jaar te rekenen vanaf het eerste aanslagjaar, is de jaarlijkse belasting verschuldigd vanaf 1 januari hierop volgend.
Als, bij het verstrijken van de 10 jaren, deze toestand nog geen einde genomen heeft, wordt het goed definitief vrijgesteld.
Artikel 13
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 14
Worden op het kohier gebracht de belastingplichtigen, aangeduid zoals bepaald in artikel 11 ingevolge hun hoedanigheid van belastingplichtige op 1 januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken die aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van de belasting zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen en op 1 januari van ieder volgend aanslagjaar tot het kapitaal en de eventuele intresten gedelgd zijn.
Artikel 15
§1. Dit belastingreglement treedt in werking op 1 januari 2026 en is geldig tot en met 31 december 2031.  Meer bepaald is dit reglement van toepassing op de werken waarvan de voltooiing blijkt uit de voorlopige oplevering zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen tijdens een periode ingaand op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031.
§2. De bepalingen van de vroeger van kracht zijnde reglementen betreffende de verhaalbelasting op het aanleggen van riolen (zoals eerder goedgekeurd dan 11 december 2025) blijven onverminderd en integraal van toepassing op de toestanden die tijdens hun bestaansduur ontstonden, meer bepaald voor werken waarvan de voltooiing blijkt, uit de voorlopige oplevering van de werken (zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen) vóór 1 januari 2026.
§3. In geval van opheffing of niet-hernieuwing van deze verordening of wanneer een gunstiger belastingregime wordt aangenomen voor het verstrijken van de terugbetalingstermijn, wordt het eisbaar geworden kapitaal van de belastingschuld terugbetaald aan de belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 10 hun belastingaandeel geheel of gedeeltelijk in een stuk hebben betaald.
De contantbelasting op de afgifte van afvalzakken wordt hervastgesteld.
De gemeente is voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen aangesloten bij de opdrachthoudende vereniging MIROM Menen (Mirom). De gemeente kan, overeenkomstig artikel 26 van het materialendecreet, haar intergemeentelijk samenwerkingsverband ertoe machtigen de kosten van het beheer van huishoudelijk afval te innen, ook als ze in de vorm van belastingen en retributies worden verhaald.
De afvalinzameling gebeurt voor een aantal fracties in gestandaardiseerde zakken, geldend als 'reglementaire zak', door Mirom geleverd. De gemeenteraad stelde in zitting van 8 december 2022 de contantbelasting op de afgifte van afvalzakken vast voor de periode 12 december 2022-31 december 2025. De raad van bestuur van Mirom heeft op 6 november 2025 een voorstel van aangepaste prijs voor deze zakken goedgekeurd voor de periode vanaf 15 december 2025.
In dit voorstel is een prijsverhoging opgenomen van de grote restafvalzakken van 1,80 naar 2,50 euro en voor de kleine restafvalzakken van 0,90 naar 1,25 euro per zak. De prijs voor PMD-zakken blijft ongewijzigd op 0,15 euro per zak.
Rekening houdend met de effectieve kostprijs voor ophaling en verwerking van restafval en de stijgende kosten voor inzameling, vermeerderd met de sterke verhoging van de milieuheffing die van toepassing is vanaf 2026 is de invoering van de prijsverhoging noodzakelijk. Voor de restafvalzakken wordt ook een indexering ingevoerd om prijsevoluties in de kosten voor inzameling te kunnen opvangen.
Via de contantbelasting op afgifte van afvalzakken wordt het principe 'de vervuiler betaalt' toegepast en worden de kosten van het beheer van huishoudelijk afval in de eerste plaats op de afvalproducent verhaald. De opbrengst van deze belasting is dan ook onmisbaar voor het behoud van het gemeentelijke financiële evenwicht.
Bioafval moet sinds 22 december 2023 door de burger verplicht selectief worden ingezameld. Sinds 1 januari 2023 is er reeds een GFT-inzameling opgestart in het werkingsgebied van Mirom waarbij de kosten voor de aanbieding van deze fractie door de burger lager zijn dan deze voor de aanbieding van restafval. De contantbelasting op afvalzakken is een sturend element om maximaal in te zetten op de selectieve inzameling met het oog op recyclage en het behalen van de restafvaldoestelling.
De kleur van de restafvalzak blijft ongewijzigd.
De ontvangsten worden geboekt op rekening PB4-ACT17/0309-00/700310 van het exploitatiekrediet.
Besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Vlarema) en zijn wijzigingen.
Artikel 1
Voor een periode ingaand op 15 december 2025 en eindigend op 31 december 2031 wordt er een contantbelasting gevestigd op de aflevering van restafvalzakken voor de ingezamelde fracties van huishoudelijke en vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen (die door huis-aan-huisinzameling worden opgehaald of op het recyclagepark worden aangeboden) en afvalzakken voor PMD (die door huis-aan-huisinzameling worden opgehaald of op het recyclagepark worden aangeboden).
De vorm wordt vastgesteld door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 2
Het bedrag van deze contantbelasting wordt vastgesteld op:
Jaarlijks wordt de prijs geïndexeerd voor wat betreft de restafvalzakken.
De prijsherziening voor de grote restafvalzak wordt berekend volgens de volgende formule:
P' = ((Paz x c/C )+(Ph y - Ph Y))
Waarbij:
De herziene prijs wordt afgerond naar het dichtste veelvoud van 10 cent, ofwel het lagere ofwel het hogere:
Ingeval de prijsverhoging voor de grote restafvalzak minstens 0,10 €/zak bedraagt, zal de prijsherziening doorgevoerd worden. De prijs van de kleine restafvalzak wordt in dat geval als volgt bepaald: prijs grote restafvalzak gedeeld door 2.
De prijsaanpassing wordt telkens toegepast op 1 januari. De eerste herziening zal gebeuren op 1 januari 2027.
Na goedkeuring van de prijsherziening door de raad van bestuur van Mirom Menen, wordt deze aan het college van Burgemeester en Schepenen overgemaakt, die wordt belast met de uitvoering van deze beslissing.
Artikel 3
De contantbelasting is verschuldigd vanaf 15 december 2025 door elke natuurlijke of rechtspersoon, die om de aflevering verzoekt van afvalzakken die verplicht gebruikt moeten worden en waarvan de vorm vastgesteld wordt door het college van burgemeester en schepenen. De personen die gebruik maken van de door de gemeente voorgeschreven zakken zijn de contantbelasting verschuldigd bij de aankoop ervan op de door de gemeente en door Mirom vastgestelde plaatsen.
Artikel 4
Restafvalzakken worden per rol of per stuk aangeboden door de verkooppunten. PMD-zakken worden steeds per rol aangeboden door de verkooppunten.
Artikel 5
De belasting wordt contant betaald tegen afgifte van een betalingsbewijs. Bij gebrek aan minnelijke betaling wordt de belasting ingekohierd.
Artikel 6
Mirom Menen wordt gemachtigd de belasting houdende afgifte afvalzakken te innen.
Artikel 2
Deze beslissing treedt in werking op 15 december 2025 en heft de beslissing van de gemeenteraad van 8 december 2022 houdende de contantbelasting op de afgifte van afvalzakken op.
Het retributiereglement voor de selectieve inzameling en verwerking van groenten-, fruit-, keuken- en tuinafval (GFT) wordt hervastgesteld.
De gemeente is lid van de opdrachthoudende vereniging MIROM Menen (Mirom) en heeft een beheersoverdracht verleend aan Mirom inzake afvalophaling op het grondgebied van de gemeente Wevelgem (cfr. artikel 3 van de statuten van Mirom).
Het Lokaal Materialenplan 2023-2030 ambieert een forse daling van het restafval naar 90 kg/inwoner/jaar in het kader van het duurzaam materialenbeleid.
Uit de actuele gegevens en cijfers blijkt dat de gemeenten uit het werkingsgebied van Mirom (Menen, Wevelgem en Wervik) de vooropgestelde streefcijfers nog niet halen. Mirom streeft er naar om het restafvalcijfer verder te laten dalen. Om dit te bewerkstelligen startte Mirom vanaf 1 januari 2023 met de ophaling van groenten-, fruit-, keuken- en tuinafval (GFT) aan huis via abonnementsformule, dit op het grondgebied van de Mirom-gemeenten. De opstart van een afzonderlijk ophaling van GFT kan op die manier mee bijdragen tot een reductie van het restafvalcijfer. Ondertussen moet bioafval sinds 22 december 2023 door de burger verplicht selectief worden ingezameld en gemeenten zijn sinds januari 2024 verplicht om een selectieve inzameling van bioafval aan te bieden.
Hierbij is het belangrijk dat de inzameling van het GFT een lagere kostprijs heeft dan het restafval, zo worden inwoners niet enkel vanuit duurzaamheidsoogmerk maar ook financieel gestimuleerd om GFT selectief in te zamelen.
Het is aangewezen om het afvalbeleid in het volledige werkingsgebied van Mirom zo uniform mogelijk te maken.
De raad van bestuur van Mirom heeft op 6 november 2025 het retributiereglement voor de selectieve inzameling van GFT hevastgesteld. Voor de jaarabonnementen wordt ook een indexering ingevoerd om prijsevoluties in de kosten voor inzameling en verwerking van GFT te kunnen opvangen.
Er wordt gevraagd aan de respectievelijke gemeenten die lid zijn van Mirom om dit aangepaste retributiereglement goed te keuren.
De retributie wordt geïnd in naam en voor rekening van Mirom Menen.
Dit retributiereglement is onlosmakelijk verbonden met het gebruikersreglement voor de selectieve inzameling van GFT van Mirom.
Besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Vlarema) en zijn wijzigingen.
Artikel 1
Het retributiereglement voor de selectieve inzameling en verwerking van groenten-, fruit-, keuken- en tuinafval (GFT), wordt hervastgesteld als volgt:
Artikel 1 - Definities
Artikel 2 - Tarief
Het tarief van de retributie wordt als volgt bepaald:
| Omschrijving |
Retributie |
| Jaarabonnement
|
30 €/jaar/container |
| Leveringskost container aan huis (nieuw abonnement) |
15 €/levering |
| Ophalingskost container aan huis (einde abonnement) |
15 €/ophaling |
| Reinigingskost bij ongereinigde container |
15 €/container |
| Kost bij verlies of ernstige beschadiging of defect door oneigenlijk gebruik of niet teruggebrachte container |
30 €/container |
| Omruiling container aan huis |
15 €/container |
| Kantelslot |
60 €/slot |
Jaarlijks wordt de prijs geïndexeerd voor wat betreft het jaarabonnement.
De prijsherziening wordt berekend volgens de volgende formule:
P' = (Pcon x c/C )
Waarbij:
De herziene prijs wordt afgerond tot op een geheel getal waarbij het laatste cijfer van het afgeronde getal (te noemen: het relevante cijfer) als volgt wordt bepaald:
De prijsaanpassing wordt telkens toegepast op 1 januari. De eerste herziening zal gebeuren op 1 januari 2027.
Na goedkeuring van de prijsherziening door de raad van bestuur van Mirom Menen, wordt deze aan het college van burgemeester en schepenen overgemaakt, die wordt belast met de uitvoering van deze beslissing.
Artikel 3 - Gerechtigden
Dit reglement is van toepassing voor volgende categorieën, welke gerechtigd zijn een abonnement aan te vragen:
Enkel indien het aangeboden afval vergelijkbaar is naar aard, samenstelling en hoeveelheid met huishoudelijk afval, kunnen ook onderstaande categorieën deelnemen aan de inzameling:
Artikel 4 - Rolcontainer
Voor deelname aan de selectieve inzameling van GFT-afval is het gebruik van een GFT-rolcontainer verplicht. Deze wordt door het intergemeentelijk samenwerkingsverband Mirom Menen ter beschikking gesteld tegen een jaarlijkse forfaitaire vergoeding bij wijze van jaarabonnement.
Het ledigen van de rolcontainer en de verwerking van het GFT, evenals de huur en de eventuele herstellingen aan de container bij normaal gebruik zijn inbegrepen in dit jaarabonnement.
De containers worden vrij van waarborg ter beschikking gesteld door Mirom Menen en blijven eigendom van Mirom Menen.
Artikel 5 - Abonnement
De abonnementsperiode loopt van 1 januari tot en met 31 december.
Wanneer een abonnement start in de loop van het jaar, zal de prijs voor het abonnement berekend worden vanaf de maand volgend op het versturen van de betalingsaanvraag tot en met 31 december (eventueel vermeerderd met de leveringskost).
Jaarlijks wordt een betalingsuitnodiging toegestuurd. Bij niet betaling en na 2de betalingsherinnering, zullen de ledigingen stoppen tot de verlenging vergoed is, en kan Mirom Menen eenzijdig beslissen om de overeenkomst stop te zetten.
Artikel 6 – Aanschaf container
De container wordt aan huis geleverd, na betaling van de betalingsuitnodiging, of kan afgehaald worden op het recyclagepark.
De container is voorzien van een elektronische gegevensdrager (chip) en een adressticker.
Artikel 7 - (Vroegtijdige) beëindiging van het abonnement
Bij stopzetting van het abonnement ten gevolge van een verhuis of overlijden wordt het openstaand saldo van het jaarabonnement verrekend, startend van de maand volgend op ontvangst opzeg (datum poststempel/datum mail geldt) tot en met 31 december en wordt dit door Mirom Menen terug gestort op het rekeningnummer van de aanvrager, na verrekening met de eventuele reinigingskost, ophaalkost en/of kost bij verlies of beschadiging van de rolcontainer.
Indien het abonnement niet meer verlengd wordt of stopgezet wordt, dient de container teruggebracht te worden naar de hoofdzetel van Mirom Menen (tijdens de kantooruren). Er kan eveneens voor geopteerd worden om de container te laten ophalen aan huis. Hiervoor wordt een afzonderlijke kost aangerekend.
Wanneer de container niet teruggebracht wordt binnen één maand na het eindigen van het abonnement, wordt er een afzonderlijke kost aangerekend.
De container dient volledig leeg en gereinigd te zijn bij afgifte. Bij teruggave of ophaling van een ongereinigde container wordt er een afzonderlijke kost aangerekend voor het reinigen van de container.
Artikel 8- Omruiling
Het type container wordt zo goed mogelijk gekozen in functie van de eigen noodzaak doorheen een volledig kalenderjaar. Indien de abonnee doorheen het lopende kalenderjaar toch een ander type wenst, kan dit door: ofwel een omruiling aan huis, mits betaling van de omruilkost of door een omruiling op de hoofdzetel van Mirom Menen.
De rolcontainer dient volledig leeg en gereinigd te zijn. Indien dit niet het geval is, wordt er een afzonderlijke kost aangerekend voor het reinigen van de container.
Bij een wissel doorheen het lopende kalenderjaar naar een groter volume rolcontainer wordt het restbedrag van de oude container verrekend, startend vanaf de maand volgend op ontvangst aanvraag wissel (datum poststempel/datum mail geldt) tot en met 31 december, na verrekening met de eventuele reinigingskost, ophaalkost en/of kost bij verlies of beschadiging van de rolcontainer.
Bij een wissel doorheen het lopende kalenderjaar naar een kleiner volume rolcontainer is er geen teruggave van het restbedrag van de oude container.
Bij een wissel na het lopende kalenderjaar, dient de abonnee ten laatste 7 dagen na ontvangst van de betalingsuitnodiging (conform bepalingen artikel 5), een aanvraag in te dienen.
Artikel 9 – Kantelslot (veiligheidsslot)
Elke container kan op eenvoudige aanvraag van de aanvrager, uitgerust worden met een kantelslot, om te verhinderen dat derden ongevraagd gebruik maken van dit recipiënt. Dit kantelslot wordt door Mirom Menen aangeboden en wordt afzonderlijk aangerekend. Het slot kan pas worden bezorgd of overgemaakt aan de aanvrager na betaling.
Bij stopzetting van het jaarabonnement blijft het slot eigendom van de aanvrager en is er geen terugbetaling voorzien.
Artikel 10 – Beschadiging/verlies/diefstal
Wanneer er onherstelbare schade is ontstaan door foutief gebruik vanwege de gebruiker of bij verlies van de GFT-container, dient deze vervangen te worden. Hiervoor dient er een afzonderlijke kost betaald te worden voor een nieuwe container, eventueel vermeerderd met een leveringskost.
Wanneer een GFT-container wordt gestolen, wordt de container kosteloos vervangen, bij voorlegging van het proces-verbaal van de aangifte diefstal.
Wanneer de GFT-container beschadigd wordt door manipulatie van de ophaalploegen, zal Mirom Menen de GFT-container kosteloos herstellen of vervangen.
Artikel 11
De retributie is algemeen verschuldigd door degene die een abonnement aanvraagt voor de inzameling en verwerking van groenten-, fruit-, keuken- en tuinafval (GFT ) via rolcontainers.
Artikel 12
Mirom Menen wordt gemachtigd om de verschuldigde retributie te innen.
Artikel 13 - Inning
De verschuldigde retributie wordt via betalingsuitnodiging overgemaakt. De retributie wordt betaald binnen de 14 kalenderdagen vanaf de verzending van de betalingsuitnodiging.
Bij niet betaling binnen de 14 dagen, volgt er een aanmaning waarvoor geen administratiekosten worden aangerekend.
Na één maand volgt een 2de aanmaning waarvoor 10 euro administratiekosten zal worden aangerekend.
Bij niet-betaling kan Mirom Menen zich tot de burgerlijke rechtbank wenden om de retributie in te vorderen.
Bovendien kan Mirom Menen weigeren nog verder de in dit reglement genoemde diensten te verstrekken indien de retributies verschuldigd voor de vorige verstrekkingen, door de schuld van de retributieplichtige, niet of zeer moeilijk konden geïnd worden.
De chip van de abonnee wordt in dit geval op een ‘blacklist’ geplaatst waardoor de GFT-container niet langer wordt geledigd. De gebruiker wordt, zover dit mogelijk is, hier visueel van op de hoogte gebracht met een sticker van ‘niet-lediging’.
Artikel 2
Deze beslissing treedt in werking op 1 januari 2026 en heft het retributiereglement voor de selectieve inzameling van groenten-, fruit-, keuken- en tuinafval (GFT) zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 13 mei 2022, gewijzigd door de gemeenteraad op 14 december 2023 en gecoördineerd door het college van burgemeester en schepenen op 17 januari 2024 op.
Het retributiereglement op aanvoer huishoudelijke afvalstoffen naar de recyclageparken wordt hervastgesteld.
De gemeenteraad keurde het retributiereglement recyclagepark goed op 8 november 2013 (en latere wijzigingen).
De gemeente is lid van de opdrachthoudende vereniging MIROM Menen (Mirom) en deed beheersoverdracht aan Mirom voor de uitbating van de recyclageparken. Op de recyclageparken worden huishoudelijke afvalstoffen ingezameld. Deze ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen worden gerecycleerd, nuttig toegepast of verwijderd. De kosten van inzameling, hergebruik, recyclage, nuttige toepassing en verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen worden verhaald op de aanbieders via een gedifferentieerd retributiereglement.
De raad van bestuur van Mirom heeft op 6 november 2025 de lijst met retributies hevastgesteld. Er wordt gevraagd aan de respectievelijke gemeenten die lid zijn van Mirom om deze aangepaste retributies goed te keuren.
Dit retributiereglement is onlosmakelijk verbonden met het aanvoerreglement recyclageparken van Mirom en de tarievenlijst omtrent de werking van Mirom.
Artikel 1
Het retributiereglement op aanvoer huishoudelijke afvalstoffen naar de recyclageparken wordt hervastgesteld als volgt:
Artikel 1
Dit reglement is van toepassing voor volgende categorieën:
Artikel 2
De toegang tot het recyclagepark gebeurt verplicht door aanmelding met de eID. Nabestaanden van overledenen en verenigingen met toestemming van het gemeentebestuur moeten over een badge beschikken die kan verkregen worden bij Mirom Menen. Deze badge kost 10 euro.
Artikel 3
§1. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen afvalstoffen die steeds gratis zijn, betalende afvalstoffen met vrijstelling en betalende afvalstoffen zonder vrijstelling.
§2. Volgende afvalstoffen zijn steeds gratis voor particulieren (groene groep):
| Elektro |
| Elektriciteitskabels |
| Glazen flessen en bokalen (glasbol) |
| Herbruikbare goederen |
| KGA (klein gevaarlijk afval) |
| Kurk |
| Matras |
| Metaal |
| Papier en Karton |
| Plantaardige olie en vet |
| PMD (verplicht in reglementaire zak) |
| Restafval (verplicht in reglementaire zak) |
| Textiel |
§3. Volgende afvalstoffen zijn betalend voor particulieren maar met vrijstelling zoals bedoeld in artikel 4 (oranje groep):
| Oranje groep |
Retributie |
| Aarde |
0,050 €/kg |
| Asbest (hechtgebonden) |
0,265 €/kg |
| Banden (zonder velg) |
0,070 €/kg |
| Gips |
0,115 €/kg |
| Glasafval |
0,055 €/kg |
| Harde plastic |
0,415 €/kg |
| Hout |
0,075 €/kg |
| Niet recycleerbaar afval |
0,130 €/kg |
| Piepschuim |
0,025 €/kg |
| Piepschuim (1500 l zak) |
1 €/zak |
| Steenpuin |
0,035 €/kg |
| Tuinafval |
0,050 €/kg |
§4. Volgende afvalstoffen zijn betalend zonder vrijstelling voor particulieren (rode groep):
|
|
Retributie |
| Brandbaar grofvuil |
0,325 €/kg |
Artikel 4
§1. Er geldt een vrijstelling, voor de aanvoer van afvalstoffen uit de oranje groep, ten belope van 1 000 kg/gezin/jaar. Eens de vrijstelling is opgebruikt kan er nog eens 1 000 kg/gezin/jaar aangebracht worden tegen een basistarief van 0,035 €/kg. Eens dit is opgebruikt, dienen de aangevoerde afvalstoffen betaald te worden aan de tariefprijs, zoals vastgelegd in artikel 3.
§2. Er geldt eenzelfde vrijstelling per vereniging, mits deze vereniging voldoet aan volgende voorwaarden:
Artikel 5
§1. De vrijstelling geldt per gezin. De leden van het gezin zijn de natuurlijke personen die een zelfde referentiepersoon hebben in het rijksregister.
§2. De vrijstelling geldt per vereniging.
Artikel 6
De vrijstelling geldt voor het lopende kalenderjaar en kan niet worden overgedragen naar het volgende jaar.
Artikel 7
Bij wijziging van de gezinssamenstelling blijft de vrijstelling toegewezen aan de referentiepersoon. Nieuwe referentiepersonen krijgen een vrijstelling pro rata het resterende jaar (naar boven afgerond op twaalfden).
Artikel 8
Bij elke weegcyclus wordt er een minimum netto-gewicht van 5 kg in rekening gebracht. De weegcyclus bestaat ten minste uit 2 wegingen, nl. 1 weging bij aankomst (brutoweging) en 1 weging bij vertrek (tarraweging). In bepaalde gevallen zal er ook 1 of meerdere tussenwegingen moeten uitgevoerd worden. Het verschil in gewicht tussen de eerste weging en de volgende weging is het nettogewicht aan afvalstoffen dat geregistreerd wordt.
Artikel 9
De afvalstoffen worden gewogen op een geijkte weegbrug volgens de Belgische wettelijke bepalingen, waarvan het weegresultaat niet kan worden betwist. De weegbrug heeft een nauwkeurigheid van 5 kg voor het weegbereik tot 15 000 kg en 10 kg voor het weegbereik van 15 000 kg tot 30 000 kg.
Artikel 10
Bij het overschrijden van de tweede vrijstelling wordt de aanvoer volledig verrekend aan de volle prijs.
Artikel 11
Mirom Menen wordt gemachtigd om de verschuldigde retributie te innen. Het bedrag wordt ter plaatse betaald aan de betaalzuil. Dit kan met bancontact of met munten (vanaf 5 eurocent). De betaalautomaat geeft geen geld terug. Het saldo wordt bijgehouden op rekening van de aanvoerder. Bij een volgende betaling wordt het saldo in mindering gebracht.
Artikel 12
De totaal te betalen retributie wordt afgerond naar het dichtste veelvoud van 5 eurocent.
Artikel 13
In het geval dat de bezoeker in de onmogelijkheid verkeert onmiddellijk te betalen, wordt de toegang tot het park ontzegd aan de leden van het gezin van de desbetreffende bezoeker tot na ontvangst van de betaling. Het openstaande saldo dient vereffend te worden binnen de 12 maanden. Bij niet betaling, volgt er een aanmaning. Na 1 maand volgt een 2de aanmaning en worden de administratiekosten verhoogd met 10 euro. Indien nog niet betaald wordt, start de intercommunale de administratieve invordering.
Artikel 14
Bij overlijden van een referentiepersoon, hebben de nabestaanden recht om tot 180 dagen na het overlijden het recyclagepark te gebruiken, en dit met overname van de eventuele vrijstellingen en saldo’s van de referentiepersoon.
Artikel 15
Indien door een defect aan de DIFTAR-toestellen de weging of betaling niet kan afgewerkt worden, zal in de mate van het mogelijke de schuld worden bijgehouden zodat het bij een volgend bezoek kan verrekend worden. Indien de schuld niet kan bepaald worden, worden de betrokken bezoekers vrijgesteld van betaling.
Artikel 2
Deze beslissing treedt in werking op 1 januari 2026 en heft het retributiereglement recyclagepark, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 8 november 2013 en gewijzigd door de gemeenteraad op 12 december 2014, 12 februari 2016, 9 december 2016, 8 december 2017, 14 december 2018, 13 december 2019, 13 november 2020, 10 december 2021, 8 december 2022, 14 december 2023 en 14 november 2024 en gecoördineerd door het college van burgemeester en schepenen op 27 november 2024 op.
Het algemeen retributiereglement wordt hervastgesteld.
Het gemeentebestuur verricht heel wat prestaties of diensten waaruit individuele personen, zowel natuurlijke personen als rechtspersonen en verenigingen, rechtstreeks een persoonlijk voordeel uithalen. Aan deze prestaties of diensten zijn meestal kosten verbonden die het gemeentebestuur moet of heeft moeten maken.
Het is redelijk en billijk om deze kosten, minstens voor een deel, door te rekenen aan de persoon of instantie die een voordeel haalt uit de geleverde prestatie of dienst.
Het lokaal bestuur staat voor de uitdaging om kwalitatieve dienstverlening te blijven garanderen terwijl kosten jaar na jaar stijgen. Een indexering van de tarieven is geen keuze, maar een noodzaak om financieel gezond te blijven.
De energiefacturen, personeelskosten, onderhoudscontracten en materialen worden jaarlijks duurder door inflatie. Zonder tariefaanpassing zouden deze extra kosten volledig moeten opgevangen worden uit de algemene middelen, wat ten koste gaat van andere dienstverlening of beleidsprioriteiten.
Er wordt voorgesteld om de tarieven aan te passen met ingang van 1 januari 2026 o.b.v. een globale indexatie-oefening en benchmark tegenover de omliggende gemeenten. Op deze manier vertegenwoordigen de retributies een correcte en redelijke vergoeding voor de bedoelde dienstverlening.
Voor het gros van de tarieven wordt voorgesteld om een nieuwe indexatie-oefening te voeren halfweg het meerjarenplan om te komen tot nieuwe tarieven vanaf 1 januari 2029. Eind 2028 kan het algemeen retributiereglement opnieuw hernomen worden. Deze gefaseerde aanpak biedt aanzienlijke administratieve voordelen door het beperken van jaarlijkse aanpassingen in softwaresystemen, communicatiematerialen en reglementen en zorgt eveneens voor duidelijkheid ten aanzien van onze inwoners, verenigingen,...
De retributies op de diensten geleverd door de Bibliotheek blijven voorlopig ongewijzigd, met uitzondering van de kosten voor kopies. De tarieven worden momenteel besproken in een breder regionaal kader. Er lopen gesprekken met bibliotheken uit de regio en Zuidwest, maar deze zijn nog niet afgerond. Afhankelijk van de uitkomst van deze overleggen kunnen de tarieven op een later moment worden aangepast.
Tarieven waarbij vandaag al een indexatie is voorzien, worden niet aangepast. Ook de retributie op de begraafplaatsen en kermissen blijven ongewijzigd.
Artikel 1.1.
Voor de invordering van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen worden de volgende kosten aangerekend:
| eerste herinnering |
Geen kosten |
| tweede herinnering (aangetekend in geval van niet-fiscale schuldvorderingen) |
15 euro |
| betekenen van een dwangbevel |
kosten van de deurwaarder |
De kosten zijn ten laste van de schuldenaar van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Artikel. 1.2.
Voor de invordering van onbetwiste en opeisbare fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen kan de financieel directeur een dwangbevel uitvaardigen. De hieraan verbonden kosten zijn volledig ten laste van de schuldenaar van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Artikel. 1.3.
Bij gedeeltelijke betaling zullen eerst de volgens dit reglement aangerekende kosten (port- en administratiekost) aangezuiverd worden en vervolgens de openstaande fiscale en niet-fiscale schuldvordering (hoofdsom).
Artikel 2.1.
Er wordt een retributie geheven op het afleveren van fotokopies door de gemeentelijke diensten en het afdrukken op printers en/of fotokopietoestellen van het gemeentebestuur. Voor fotokopies en afdrukken in de bibliotheek wordt verwezen naar artikel 6.4.
Artikel 2.2.
Volgende tarieven zijn van toepassing:
- A4 enkelzijdig zwart/wit 0,20 euro
- A4 enkelzijdig kleur 0,40 euro
- A3 enkelzijdig zwart/wit 0,50 euro
- A3 enkelzijdig kleur 1,00 euro
Kopie of afdruk van plannen
- Voor het maken van een kopie of een afdruk van plannen, waarvan het formaat niet is vermeld hierboven, zal de werkelijke kostprijs, zoals vastgesteld door het college van burgemeester en schepenen, worden aangerekend.
Artikel 3.1.
Er wordt een retributie geheven op het opzoeken en afleveren van inlichtingen uit het archief inclusief genealogische opzoekingen, opgezocht door de gemeentelijke administratieve diensten voor zover deze inlichtingen niet moeten worden voorgelegd in het kader van een wettelijke, reglementaire, administratieve of gerechtelijke procedure. De aanvrager dient aan te tonen dat zijn vraag kadert in een wettelijke, reglementaire, administratieve of gerechtelijke procedure.
Artikel 3.2.
De retributie is verschuldigd door de persoon die de inlichtingen vraagt.
Artikel 3.3.
De vergoeding wordt als volgt vastgesteld:
- forfaitaire vergoeding van 20 euro
- per inlichting (d.i. per akte/uittreksel): 5 euro, te verhogen met de geldende kostprijs van de fotokopies/afdrukken overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van dit retributiereglement.
Voornoemde forfaitaire vergoeding is verschuldigd per aanvraag. Per aanvraag kunnen maximum 5 inlichtingen worden aangevraagd.
De retributie is ook verschuldigd indien er geen gegevens worden gevonden. De gemeente gaat een inspanningsverbintenis aan, maar geen resultaatsverbintenis.
Zelf opzoekingen in het archief verrichten is kosteloos, maar kan wel pas na afspraak met de dienst Secretariaat.
Artikel 3.4.
De aanvraag tot opzoekingen moet schriftelijk gebeuren (brief – fax – e-mail).
De inlichting wordt pas verstrekt nadat de retributie werd vereffend door overschrijving op rekening van het gemeentebestuur Wevelgem of contant betaald werd.
Artikel 3.5.
Kopies of afdrukken van akten of documenten die door bezoekers zelf opgezocht worden in de leeszaal, worden aangerekend volgens de geldende prijs van fotokopies en afdrukken overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van dit retributiereglement.
Artikel 3.6.
Kopies of afdrukken van akten uit de registers van de burgerlijke stand dienend voor genealogische opzoekingen die door bezoekers zelf worden opgezocht in de leeszaal, worden zo veel mogelijk via Scan Search gemaakt om de schade aan de registers zo veel mogelijk te voorkomen en worden eveneens verrekend aan de geldende prijs voor fotokopies en afdrukken overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van dit retributiereglement.
Hoofdstuk 4. Retributie op het afleveren van omgevingsdossiers, documenten en inlichtingen inzake stedenbouw, milieu en omgevingsvergunningen
Artikel 4.1.
Er wordt een retributie gevestigd op het behandelen van omgevingsdossiers, het opmaken van documenten en het opmaken en versturen van inlichtingen inzake stedenbouw, milieu, omgeving en wonen voor notarissen, vastgoedmakelaars en andere.
Artikel 4.2. Retributie voor het afleveren van stedenbouwkundige en planologische attesten
Voor het afleveren van stedenbouwkundige attesten in de zin van artikel 5.3.1 van de Vlaamse codex ruimtelijke ordening of planologische attesten in de zin van artikel 4.4.24 e.v. van de Vlaamse codex ruimtelijke ordening is een retributie verschuldigd van
respectievelijk 60 euro (stedenbouwkundig attest) en 250 euro (planologisch attest).
Artikel 4.3. Retributie voor dossier- en administratiekosten bij een omgevingsvergunning
Voor dossier- en administratiekosten wordt een vast recht gevraagd van:
Voor dossiers met een openbaar onderzoek worden eveneens de effectieve portkosten en de kosten voor publicatie in de pers teruggevorderd.
Het verschuldigd zijn van de retributie is niet gekoppeld aan het al dan niet verkrijgen van de vergunning.
Artikel 4.4. Retributie voor dossierkosten voor het afleveren van een conformiteitsattest na een woningonderzoek
De vergoeding voor de behandeling van een aanvraag van een conformiteitsattest, bedraagt:
Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule: nieuw bedrag = basisbedrag x aangepaste gezondheidsindex/gezondheidsindex november 2022.
Artikel 4.5. Inlichtingen omgevings-, milieu- en stedenbouwkundige gegevens
Voor het opzoekingswerk in het archief en het afleveren van inlichtingen inzake omgevings-, milieu- en stedenbouwkundige vergunningen en gegevens op vraag van notarissen, vastgoedmakelaars, studiebureaus, bodemsaneringsdeskundigen en andere wordt volgende retributie aangerekend:
Onder afschrift wordt hier begrepen elke opzoeking die resulteert in een afzonderlijk document dat digitaal wordt bezorgd.
Artikel 4.6. Aanpassingen aan het grondeninformatieregister voor een deel van een perceel of bij het splitsen van percelen
Voor een aanpassing aan het grondeninformatieregister voor een deel van een perceel of bij het splitsen van percelen wordt een retributie van 50 euro aangerekend per perceel waarvoor een aanpassing moet gebeuren.
Artikel 4.7.
Deze retributie is verschuldigd door de persoon die de vergunning, de inlichtingen of de aanpassing aanvraagt.
De retributie is niet verschuldigd voor overheidsinstellingen of instellingen die opgericht zijn door overheden.
Artikel 5.1.
Er wordt een retributie gevestigd op diverse diensten geleverd door de bibliotheek.
Artikel 5.2.
§1. Inschrijvingsgeld
Het inschrijvingsgeld bedraagt:
| tot 18 jaar |
gratis |
| voltijdse studenten |
gratis |
| vanaf 18 jaar (lidgeld is 1 jaar geldig) |
5 euro |
| houders van een UiTPAS met kortingstarief |
1 euro |
| eerste lenerspas |
gratis |
| verlies lenerspas |
2,50 euro |
| vervanging door eID-kaart |
gratis |
De lenerspas wordt automatisch geblokkeerd als de geldigheid ervan 31 dagen verstreken is, de openstaande retributie meer dan 20 euro bedraagt of langer dan 8 weken open staat.
Het inschrijvingsgeld is geldig in alle bibliotheken uit de regio zuidwest.
§2. Uitleenmodaliteiten
| Uitleenvoorwaarden |
Leengeld |
Uitleentermijn |
Maningsgeld per dag |
| Alle materialen |
gratis |
28 dagen |
0,15 euro |
De uitleentermijn van de materialen kan 1 keer verlengd worden. Voor speciale passen (klassen, instellingen, bib-aan-huis, …) gelden andere uitleenvoorwaarden.
§3. Dienstverlening
| Reservering van eigen bibliotheekmateriaal |
1 euro
|
| Reservering van bibliotheekmateriaal uit andere bibliotheken (IBL) |
5 euro, eventueel vermeerderd met de kosten aangerekend door de wetenschappelijke bibliotheek |
| Gebruik internetpc’s |
gratis |
| Gebruik hotspot |
gratis |
| Gebruik kopieermachine/prints
|
Tarieven 0,20 euro |
| Aankoop bibliotheektas |
1 euro |
| Aankoop UiTPAS |
3 euro |
| Vervanging UiTPAS |
1 euro |
§4. Verlies of beschadiging
Bij verlies of totale beschadiging moet de gebruiker de kostprijs betalen die noodzakelijk is voor de vervanging van het verloren of vernietigd materiaal. Voor materialen, die niet meer verkrijgbaar zijn, wordt bovendien een door het diensthoofd Cultuur-Bibliotheek of zijn vervanger te bepalen toeslag aangerekend die moet volstaan om in de vervanging van gelijkwaardig materiaal te voorzien.
Bij gedeeltelijke beschadiging en wanneer de kostprijs van een verloren materiaal niet meer kan achterhaald worden, bepaalt het diensthoofd Cultuur-Bibliotheek of zijn vervanger het bedrag van de schadevergoeding.
§5. Overige
De retributie is verschuldigd door de persoon die gebruik maakt van de betrokken dienst of, ingeval van verlies of beschadiging, de persoon op wiens naam het betrokken materiaal werd uitgeleend.
Artikel 6.1.
Er wordt een retributie gevestigd op het afleveren van allerhande stukken door het gemeentebestuur.
De retributie is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon of vereniging aan wie het stuk wordt afgeleverd.
Artikel 6.2.
Het bedrag van de gemeentelijke retributie wordt vastgesteld als volgt:
> Nieuwe reispas/reisdocument: 10,84 euro
> Spoedprocedure: 12,05 euro
> Gewone procedure: 0 euro
> Spoedprocedure: 0 euro
De bedragen, vermeld in dit artikel, worden verhoogd met de rechten en kosten van aanmaak, aangerekend door en ten gunste van de hogere overheid, op basis van de wetten, normen of onderrichtingen bepaald door deze overheid.
De totale verschuldigde retributie wordt steeds afgerond op de hogere gehele euro.
Artikel 6.3.
Worden van de gemeentelijke retributie vrijgesteld:
- De stukken die in uitvoering van een wet of van gelijk welk reglement van de administratieve overheid door het gemeentebestuur kosteloos moeten worden afgeleverd.
- De stukken die, door het gemeentebestuur, rechtstreeks afgeleverd worden aan de gerechtelijke en administratieve overheden.
Artikel 7.1.
Er wordt een retributie gevestigd op het gebruik van de diensten van de gemeentelijke begraafplaatsen.
Artikel 7.2.
De retributie wordt vastgesteld als volgt:
| A. Concessie 30 jaar |
|
|
| in volle grond |
500 euro |
|
| grafkelder |
500 euro |
|
| columbariumnis |
500 euro |
|
| urne in volle grond |
500 euro |
|
| urne in kelder |
500 euro |
|
| kinderperk/vlindertuin |
|
|
|
gratis |
|
|
500 euro |
|
| hernieuwing bestaande concessie 15 jaar |
250 euro |
|
| hernieuwing bestaande concessie 30 jaar |
500 euro |
|
| hernieuwing bestaande concessie kinderperk/vlindertuin |
|
|
|
gratis |
|
|
250/500 euro |
|
| meervoudige concessie |
tarief x 2 |
|
| B. Zonder concessie 15 jaar |
gratis |
|
| C. Naamplaatje strooiweide |
50 euro |
|
| D. Naamplaatje vlindertuin |
|
|
|
gratis |
|
|
50 euro |
|
| D. Opgravingen: voor A en B |
|
|
| monument door gemeente te slopen en af te voeren |
750 euro |
|
| monument af te voeren door de zorgen van de aanvrager |
650 euro |
|
| kinderen t.e.m. leeftijd van 12 jaar |
250/200 euro |
|
| verwijderen asurnen uit graven of columbariumnissen |
100 euro |
|
| E. Aankopen van: |
|
|
| kelders voor urnenveld |
gratis |
|
| klassieke grafkelders 2 personen |
600 euro |
|
| columbariumnis |
gratis |
|
| afdekplaten voor columbariumnissen |
90 euro |
|
| grafteken vlindertuin (tegel + vlinder) |
|
|
|
gratis |
|
|
200 euro |
|
| Nestkastje of insectenhotel (perken 'begraven bij gedenkboom') |
30 euro |
|
* met inwoners wordt bedoeld: levenloos geboren kinderen en kinderen tot de leeftijd van 7 jaar van wie één van de ouders of grootouders is ingeschreven in de gemeente.
Artikel 7.3.
De retributies zijn verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon, die:
Als tijdstip voor betaling wordt bepaald:
Artikel 8.1.
Er wordt een retributie vastgesteld voor het ontlenen van feestmateriaal zoals bedoeld in het gebruikersreglement op het beschikbaar stellen van feestmateriaal, als volgt:
| Afmetingen/omschrijving |
|
Tarief |
Per |
|
| STOELEN |
|
|||
| Kunststof stoel groen |
|
€ 0,50 |
Stuk/activiteit |
|
| Metalen klapstoel |
|
€ 0,50 |
Stuk/activiteit |
|
| Metalen stoel met houten zitting |
|
€ 0,50 |
Stuk/activiteit |
|
| TAFELS |
|
|||
| Kunststof tafel groen – 0m70 x 0m70 |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| Rode klaptafel – 0m90 x 0m60 |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| Vaste tafel – 0m70 x 0m80 |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| Uitbreiding – lengsel voor vaste tafel 2m x 0m80 |
|
€ 2,60 |
Stuk/activiteit |
|
| Receptietafel – Ø0m80 – (per 6 stuks op een kar) |
|
€ 6,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Plaat met 3 schragen – 3m x 0m80 |
|
€ 3,70 |
Stuk/activiteit |
|
| PODIA |
|
|||
| Type blanco – 2m00x1m00 – hoogte max 1m |
|
€ 6,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Type blauw – 2m00x1m00 - vaste hoogte 1m |
|
€ 6,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Type geel – 2m00x1m00 – H 0m40/0m60 |
|
€ 6,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Type wit – 1m60x0m80 – H 0m40/0m60 |
|
€ 6,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Type zwart – 2m00x1m00 – H0m40/0m60 of H0m70/0m90 |
|
€ 6,00 |
Stuk/activiteit |
|
|
|
|
|
|
|
| Vaste podiumtrap 2 treden |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| Vaste podiumtrap 3 treden |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| Vaste metalen trap 4 treden |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| Verstelbare metalen trap 5 treden |
|
€ 6,10 |
Stuk/activiteit |
|
| Verstelbare trap 6 treden aluminium |
|
€ 6,10 |
Stuk/activiteit |
|
|
|
|
|
|
|
| Leuningen voor podium |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| Podiumrokken 60cm zwart of groen |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| Podiumrokken 100cm zwart of groen |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
|
|
|
|
|
|
| Houten danspodia H0m25 of 0m50 |
|
€ 6,00 |
Stuk/activiteit |
|
|
|
|
|
|
|
| Plaatsen/wegnemen podium tijdens de werkuren |
|
€ 3,00 |
Stuk |
|
| Plaatsen/wegnemen podium buiten de werkuren |
|
€ 6,00 |
Stuk |
|
|
|
|
|
|
|
| Mobiel podium 7,50 m x 6,30 m met overkapping |
|
€ 365 |
Stuk/activiteit |
|
| Waarborg mobiel podium |
|
€ 500 |
Stuk |
|
|
|
|
|
|
|
| NADARS EN BOUWHEKKEN |
|
|||
| Kar met 90 nadars |
|
€ 45,00 |
Kar/activiteit |
|
| Kar met 100 nadars |
|
€ 50,00 |
Kar/activiteit |
|
| Losse nadars |
|
€ 0,50 |
Stuk/activiteit |
|
|
|
|
|
|
|
| Plaatsen/wegnemen nadars tijdens de werkuren |
|
€ 1,00 |
Stuk |
|
| Plaatsen/wegnemen nadars buiten de werkuren |
|
€ 2,00 |
Stuk |
|
|
|
|
|
|
|
| Bouwhekken (in pakket van 25 stuks) |
|
€ 2,50 |
Stuk/activiteit |
|
| Voeten voor bouwhekken |
|
€ 0,60 |
Stuk/activiteit |
|
| Wielen voor bouwhekken |
|
€ 2,50 |
Stuk/activiteit |
|
| Ingang/uitgang voor bouwhekken |
|
€ 2,50 |
Stuk/activiteit |
|
|
|
|
|
|
|
| Plaatsen/wegnemen bouwhekken tijdens de werkuren |
|
€ 1,00 |
Stuk |
|
| Plaatsen/wegnemen bouwhekken buiten de werkuren |
|
€ 2,00 |
Stuk |
|
| TOOGPLATEN |
|
|||
| Voortoogplaten – 2m60 x 0m60 |
|
€ 1,30 |
Stuk/activiteit |
|
| TENTOONSTELLINGSPANELEN |
|
|||
| TYPE A – met vaste voeten |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| TYPE B – met vaste voeten |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| TYPE C – met losse voeten |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| TYPE D – met losse voeten |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| TYPE E – met losse voeten |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| TENTEN |
|
|||
| Grote partytent 6m x 3m |
|
€ 75,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Kleine partytent 3m x 3m |
|
€ 50,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Zijkant 3 m met doorzichtig gedeelte |
|
€ 6,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Zijkant 3 m volledig gesloten |
|
€ 6,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Gewichten voor op de poten |
|
€ 0,30 |
Stuk/activiteit |
|
| Regengootjes voor tussen 2 grote partytenten |
|
€ 6,00 |
Stuk/activiteit |
|
|
|
|
|
|
|
| Waarborg grote tent |
|
€ 100 |
Stuk |
|
| Waarborg kleine tent |
|
€ 50 |
Stuk |
|
| VLAGGEN |
|
|||
| Houten vlaggenmasten 6m of 8m |
|
€ 3,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Aluminium vlaggenmast met metalen onderstel |
|
€ 3,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Vlaggen (diverse beschikbaar) |
|
€ 1,30 |
Stuk/activiteit |
|
| ELEKTRICITEIT |
|
|||
| Werfkast (excl. verbruik) |
|
€ 50,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Verdeelkast (excl. verbruik) |
|
€ 12,50 |
Stuk/activiteit |
|
| Elektriciteitsverbruik – FORFAIT |
|
€ 25,00 |
Activiteit |
|
| Elektriciteitsverbruik – WERKELIJK (meteropname), volgens werkelijk verbruik tegen kostprijs |
|
|
Per kWh |
|
| WATER |
|
|||
| Waterstandpijp + sleutel (excl. verbruik) |
|
€ 12,50 |
Stuk/activiteit |
|
| Brandslangen (±20m) |
|
€ 3,00 |
Stuk/activiteit |
|
| Waterverbruik – WERKELIJK (meteropname), volgens werkelijk verbruik tegen kostprijs |
|
|
Per m³ |
|
| DIVERSE |
|
|||
| Standkraampjes – 1m20 x 0m60 met bovenbouw |
|
€ 6,50 |
Stuk/activiteit |
|
| WBP platen – 2m50 x 1m25 |
|
€ 2,50 |
Stuk/activiteit |
|
| 1-2-3 blok |
|
€ 1,80 |
Stuk/activiteit |
|
| Kleine kijkkast |
|
€ 1,30 |
Stuk/activiteit |
|
| Grote kijkkast |
|
€ 1,30 |
Stuk/activiteit |
|
De vermelde retributies zijn inclusief btw.
Een activiteit kan hierbij maximaal 7 kalenderdagen duren. Indien een activiteit een langere duurtijd heeft, wordt een extra retributie aangerekend per lopende kalenderweek, met uitzondering van de zomerkampen van de jeugdbewegingen, waar een zomerkamp met een maximale duurtijd van 14 kalenderdagen als één activiteit wordt beschouwd, dit evenwel slechts voor één zomerkamp per kalenderjaar per jeugdbeweging.
Ingeval van inbreuk op artikel 13 van het gebruikersreglement op het beschikbaar stellen van feestmateriaal, wordt een forfaitair bedrag van 35 euro per medewerker per uur aangerekend voor het uitvoeren van extra werkzaamheden door de gemeentelijke diensten.
Artikel 8.2.
Zijn vrijgesteld van deze retributie:
− Wevelgemse onderwijsinstellingen die feestmateriaal ontlenen voor schoolse activiteiten binnen de lesuren
− openbare besturen die feestmateriaal ontlenen voor eigen gebruik, indien het gemeentebestuur Wevelgem ook gratis gebruik kan maken van hun feestmateriaal
− het OCMW van de gemeente Wevelgem.
Artikel8.3.
Het podium wordt gratis opgesteld door de medewerkers van het gemeentebestuur voor verenigingen waarvan de werking specifiek gericht is op personen met een handicap, op voorwaarde dat dit gebeurt tijdens de werkuren. Zo niet, dan wordt de retributie bepaald zoals in artikel 8.1.
Indien de activiteit georganiseerd wordt door een bovenvernoemde vereniging in samenwerking met andere dan bovenvernoemde verenigingen, dan wordt de retributie bepaald zoals in artikel 8.1.
Artikel 8.4.
De retributie, vermeld in dit hoofdstuk, is hoofdelijk en ondeelbaar verschuldigd door de ontlener of de aanvrager, zoals vermeld in artikel 2 van het gebruikersreglement op het beschikbaar stellen van feestmateriaal.
Artikel 8.5.
Wanneer bij het verhuren van feestmateriaal een waarborg gevraagd wordt, moet deze volgens de modaliteiten van het retributiereglement ten laatste 7 kalenderdagen voor de aanvang van de activiteit voldaan zijn:
− ofwel door contant te betalen bij de gemeentekas in het gemeentehuis
− ofwel door overschrijving op een door het gemeentebestuur voorgestelde rekening.
Hoofdstuk 9. Retributie op het ontlenen van signalisatiemateriaal
Artikel 9.1.
§1. Het signalisatiemateriaal dat ontleend wordt, zoals bedoeld in het reglement ontlenen signalisatiemateriaal, moet in goede staat worden teruggebracht. Bij vaststelling van beschadiging of verlies, wordt de kostprijs voor het herstel van de schade of de kostprijs voor het vervangen van het niet-teruggebrachte materiaal volledig doorgerekend aan de ontlener (de natuurlijke of rechtspersoon of vereniging die de aanvraag tot ontlening van signalisatiemateriaal heeft ingediend). Het ontleende materiaal dat binnen de maand na het einde van de ontleenperiode niet wordt teruggebracht, wordt geacht verloren te zijn.
§2. Als het signalisatiemateriaal op gemotiveerde vraag van de ontlener dient uitgezet en weggenomen door de gemeentelijke diensten, dan wordt hiervoor een retributie van 60 euro aangerekend.
Artikel 10.1. Grondslag van de retributie
Er wordt een retributie, hierna standgeld genoemd, geheven op het gebruik van het openbaar domein ter gelegenheid van de openbare markt die door de gemeente op haar grondgebied wordt georganiseerd alsook voor de inname van het openbaar domein voor een ambulante handel, en op het elektriciteitsgebruik.
Artikel 10.2. Bedrag van het standgeld
§1. Standplaats naar aanleiding van een openbare markt
Het standgeld bedraagt 1,50 euro per lopende meter tentoongestelde waren en per dag. Voor de berekening van het verschuldigd recht wordt de ruimte in aanmerking genomen die effectief wordt ingenomen voor de uitstalling van te koop aangeboden waren of goederen. Elk gedeelte van een meter wordt als een volle meter beschouwd.
Voor de inname van een standplaats op de openbare markt door standhouders zonder abonnement, bedraagt het standgeld minimum 7 euro per daggedeelte van 6 uur.
§2. Standplaats op het openbaar domein
Het standgeld voor de inname van het openbaar domein bedraagt 1,50 euro per lopende meter en per daggedeelte van 6 uur, waarbij elke begonnen periode van 6 uur als een volle periode wordt beschouwd.
Voor de berekening van het verschuldigd recht wordt de ruimte in aanmerking genomen die effectief wordt ingenomen voor de uitstalling van te koop aangeboden waren of goederen.
Elk gedeelte van een meter wordt als een volle meter beschouwd.
§3. Gebruik elektriciteit
De tarieven die worden aangerekend voor het elektriciteitsverbruik worden bepaald bij wijze van beslissing door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 10.3. Voertuigen
De voertuigen, met koopwaren beladen, zijn slechts aan de retributie onderworpen indien de waren te koop gesteld zijn op het rijtuig. Indien een voertuig gedeeltelijk aangewend wordt om waren te koop te stellen, wordt enkel dit gedeelte in rekening gebracht voor de berekening van de retributie.
De karren, wagens of rijtuigen waarmee de waren aangebracht worden en die bij het kraam of bij de eigenaar op de markt blijven staan, worden niet meegerekend voor de retributie, evenmin als de ledige manden, kuipen of bakken die voor de inpakking van de koopwaren gediend hebben en met toestemming van het gemeentebestuur op de markt blijven staan.
Artikel 11.1.
§1. Plaatsrecht
Er wordt voor het gebruik van het openbaar domein door een foorinrichting naar aanleiding van een kermis of foor een plaatsrecht geheven. Dit plaatsrecht wordt berekend in verhouding tot de oppervlakte van de foorinrichting. Als basis voor de berekening van het verschuldigd standgeld wordt de oppervlakte van de attractie zelf in aanmerking genomen, met inbegrip van alle elementen die erbij horen (stroomgroep, woonwagen en andere bijhorigheden) wanneer die onmiddellijk aan de attractie worden opgesteld.
§2. Gebruik elektriciteit
Bij het gebruik van het openbaar domein door een foorinrichting naar aanleiding van een kermis of foor wordt ook het elektriciteitsverbruik aangerekend. De tarieven die worden aangerekend voor het elektriciteitsverbruik worden bepaald bij wijze van beslissing door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 11.2.
Het standgeld wordt bepaald op 1 euro per vierkante meter per dag, conform de bepalingen van het voorgaand artikel.
Artikel 11.3.
Het plaatsrecht is verschuldigd per georganiseerde kermis en wordt steeds aangerekend voor een vaste periode van 3 dagen, ongeacht de werkelijke duur van de inname van het openbaar domein.
Het plaatsrecht is verschuldigd op grond van de bijzondere overeenkomst die daartoe tussen het gemeentebestuur en de exploitant wordt afgesloten en waarbij de exploitant toelating wordt verleend voor het opstellen van zijn attractie op de kermis of het abonnement zoals bedoeld in het reglement betreffende de organisatie van kermisactiviteiten en kermisgastronomie op de openbare kermissen.
De afwezigheid van de exploitant op een kermis, waarvoor met de gemeente een overeenkomst werd afgesloten, ontslaat hem geenszins van de betaling van dit plaatsrecht.
Artikel 11.4.
Het plaatsrecht, verschuldigd volgens artikel 11.2., wordt evenwel begrensd als volgt:
- ongeacht het aantal ingenomen m², bedraagt het standgeld minimaal 37 euro en maximaal 199 euro.
Artikel 11.5.
Het aldus bepaalde standgeld wordt voor de kermissen, georganiseerd in de deelgemeente Wevelgem geheven a rato van 100%, in de deelgemeente Gullegem a rato van 60% en in de deelgemeente Moorsele a rato van 40%, zonder evenwel lager te kunnen zijn dan het minimum van 37 euro.
Artikel 12.1.
Er wordt ten voordele van de gemeente een retributie ingevoerd op het plaatsen van frituurkramen op het openbaar domein.
Artikel 12.2.
Deze retributie valt ten laste van de natuurlijke of de rechtspersoon die in de loop van het jaar een frituur uitbaat, die gelegen is op het openbaar domein van de gemeente. Deze retributie wordt vastgesteld als volgt:
Oppervlakte frituur Bedrag retributie
Tot 25 m² 1 050 euro
Tussen 25 en 50 m² 2 100 euro
Groter dan 50 m² 3 150 euro
Het tarief voor het jaar x wordt jaarlijks geïndexeerd met toepassing van de gezondheidsindex volgens de hierna vermelde formule (waarbij de basisindex de gezondheidsindex van november 2025 is en de nieuwe index de gezondheidsindex van de maand november van het jaar x-1), deze formule wordt voor het eerst toegepast voor de tarieven met ingang van 1 januari 2027.
Geïndexeerde retributie jaar x = basisretributie x (nieuwe index november x-1)/(basisindex november 2025)
Het verschuldigde bedrag wordt afgerond op de eenheid volgens de wiskundige afrondingsregels: bedragen van 0,50 euro en hoger worden naar boven afgerond, bedragen lager dan 0,50 euro worden naar beneden afgerond.
Onder oppervlakte wordt begrepen de oppervlakte die wordt ingenomen door de frituur zelf, vermeerderd met rondom 1 m voor de stalling van alle noodzakelijke toebehoren en met de oppervlakte van de eventuele terrassen die erbij horen.
Artikel 13.1.
Er wordt een gemeentelijke retributie geheven op de privatieve ingebruikname van het openbaar domein ten gevolge of ten behoeve van werken.
Dit hoofdstuk handelt louter over het vestigen van een retributie voor de ingebruikname van het openbaar domein. Het betalen van de retributie houdt geen vergunning tot privatieve ingebruikname van het openbaar domein in dewelke steeds door de bevoegde overheid dient verleend.
Artikel 13.2.
Voor de toepassing van dit reglement worden volgende begrippen gebruikt:
- Werken: het uitvoeren van bepaalde werken zoals het bouwen, verbouwen, slopen, herstellen, herinrichten, schilderen en zandstralen, verhuis en tuinaanleg (dit is een niet-limitatieve opsomming).
- Ingebruikname: het (laten) plaatsen van materialen, stellingen, containers, werfafsluitingen, werfketen, torenkranen, toestellen die al dan niet zelfstandig in het verkeer mogen gebracht worden (zoals hoogtewerkers, bouwliften, constructies voor steenvang, afbraakmaterialen, een dienstvoertuig van een aannemer), al of niet afgebakend door een afsluiting of schutting (dit is een niet-limitatieve opsomming).
Het voorbehouden van (al dan niet gemarkeerde) parkeerplaatsen voor het plaatsen van (een) dienstvoertuig(en) van een aannemer tijdens de werken, een verhuiswagen e.a. wordt beschouwd als een ingebruikname van het openbaar domein voor werken.
- Openbaar domein: hiertoe behoren wegen, voetpaden, parkeerruimten, groenzones (dit is een niet-limitatieve opsomming) in eigendom van of beheer van de gemeente.
Artikel 13.3.
De retributie wordt als volgt vastgesteld:
§1. Voor de privatieve ingebruikname van openbaar domein, ten gevolge of ten behoeve van werken, wordt een forfaitaire retributie aangerekend per ingebruikname en per kalenderdag. De retributie is verschuldigd vanaf de aanvang van de ingebruikname en wordt berekend volgens de vergunde oppervlakte van het openbaar domein (tenzij de effectief ingenomen oppervlakte groter zou zijn).
§2. Voor de privatieve ingebruikname waar geen of geen correcte vergunning kan voorgelegd worden en derhalve een regularisatiedossier wordt ingediend of opgemaakt zoals bedoeld in artikel 13.8 worden de in §1. bedoelde retributies verdubbeld.
§3. Betaalde retributies zijn niet terugvorderbaar, ook wanneer geen of maar deels gebruik wordt gemaakt van de verleende vergunning.
Artikel 13.4.
De retributie is verschuldigd door de aanvrager van de vergunning. Indien geen aanvraag werd ingediend zal de retributie ambtshalve gevestigd worden cfr. artikel 13.8, §1. lastens de rechtspersoon of natuurlijke persoon die het openbaar domein privatief inneemt en als deze niet gekend is lastens de eigenaar(s) van het perceel waar de werken worden uitgevoerd. Allen zijn hoofdelijk gehouden tot het betalen van de retributie.
Artikel 13.5.
Zijn vrijgesteld:
- Van de retributie zoals bedoeld in artikel 13.3, §1.: de ingebruikname van het openbaar domein ten gevolge of ten behoeve van werken tot en met 4 opeenvolgende kalenderdagen. Als de vrijstellingsperiode van 4 kalenderdagen overschreden wordt, dan wordt voor de berekening van de verschuldigde retributie de ingebruikname berekend vanaf de vijfde kalenderdag van de ingebruikname. Deze vrijstellingsgrond kan niet worden toegepast in een regularisatiedossier.
- Van de retributie zoals bedoeld in artikel 13.3, §1: de ingebruikname van het openbaar domein ten gevolge of ten behoeve van werken door, in opdracht van, of voor rekening van het gemeentebestuur Wevelgem, het OCMW Wevelgem, de woonmaatschappij en andere bij wet vrijgestelde publieke rechtspersonen.
Artikel 13.6.
Voor elke ingebruikname van het openbaar domein, zoals omschreven in artikel 13.1, dient vooraf een vergunning bekomen te worden van het college van burgemeester en schepenen. De aanvraag dient digitaal ingediend te worden via het daartoe voorziene portaal. Deze aanvraag dient tijdig te gebeuren, overeenkomstig artikel 206bis van de algemene politieverordening.
Deze digitale aanvraag omvat minstens volgende gegevens:
- Ingetekende oppervlakte op de locatie van de privatieve ingebruikname van het openbaar domein,
- Omschrijving van het type ingebruikname en omschrijving van de werken waaraan deze privatieve ingebruikname van het openbaar domein is gekoppeld,
- De gegevens (naam, adres en telefoonnummer) van de aanvrager en, indien iemand anders dan eerstgenoemde, van de uitvoerder van de werken,
- De datum van aanvang en duur van de werken, uitgedrukt in dagen of weken.
Artikel 13.7.
De controle van de privatieve ingebruikname van het openbaar domein ten gevolge of ten behoeve van werken, kan worden uitgevoerd door de politie, een bevoegde gemeentelijke ambtenaar, een gemeenschapswacht-vaststeller of een door het gemeentebestuur hiertoe aangestelde firma.
Artikel 13.8.
§1. Indien men geen of geen correcte vergunning kan voorleggen, dient onmiddellijk een aanvraag met regularisatiedossier te worden ingediend.
Het innemen van het openbaar domein zonder voorafgaandelijke vergunning of op basis van een vergunning afgeleverd op grond van onjuiste of onvolledige gegevens, kan worden gesanctioneerd met een gemeentelijke administratieve sanctie, nl. een administratieve geldboete ten bedrage van maximaal 500 euro (wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties). Onverminderd de eventuele administratieve geldboete wordt in voorkomend geval ook steeds ambtshalve een regularisatiedossier voor de nog verschuldigde retributie uitgewerkt, waarbij de retributie aangerekend wordt vanaf de vermoedelijke aanvang der werken (geen vrijstelling van 4 kalenderdagen omdat het een regularisatie betreft), vastgesteld op basis van alle mogelijke bewijsmiddelen en bij gebreke daaraan forfaitair vastgesteld op
14 kalenderdagen vóór de vaststelling van de ingebruikname van het openbaar domein zonder passende vergunning.
§2. Indien de privatieve ingebruikname van het openbaar domein verder blijft duren dan de termijn bepaald in de vergunning, wordt dit beschouwd als een ingebruikname zonder voorafgaande vergunning en wordt toepassing gemaakt van §1. hierboven vermeld.
Artikel 14.1.
Er wordt een retributie gevestigd voor het parkeren van motorvoertuigen op de openbare weg of op de plaatsen gelijkgesteld aan de openbare weg.
Dit reglement beoogt het parkeren van een motorvoertuig op plaatsen waar dat parkeren toegelaten is en waar het parkeren voorbehouden is voor bewoners te regelen.
Onder openbare weg verstaat men de wegen en hun trottoirs of nabijgelegen bermen die eigendom zijn van de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke overheden.
Onder met een openbare weg gelijkgestelde plaatsen verstaat men de parkeerplaatsen gelegen op de openbare weg, zoals vermeld in artikel 4, §1, 2de lid, van de wet van
25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten.
Artikel 14.2.
§1. Er kan een gemeentelijke parkeerkaart worden uitgereikt aan bewoners van de gemeente onder de vorm van een bewonersvignet of een bewonerskaart, onder de volgende voorwaarden:
- Het bewonersvignet of de bewonerskaart kan enkel uitgereikt worden aan personen die hun hoofdverblijfplaats of domicilie hebben in de gemeente, zone of straat vermeld op de bewonerskaart of -vignet en die beschikken over een eigendomsbewijs van een auto of kunnen aantonen dat hij/zij er een gebruiksrecht op heeft.
- De maximale toegelaten massa van de wagen waarvoor de bewonerskaart of vignet wordt aangevraagd overschrijdt de 3 500 kg niet.
- Er wordt ten hoogste 1 bewonerskaart of -vignet per wooneenheid uitgereikt.
- De bewonerskaarten en -vignetten zijn vierkant en hebben een zijde van 10 cm.
- De bewonerskaarten en -vignetten zijn geldig vanaf de datum dat ze aangemaakt worden tot en met de 31ste december van het jaar dat volgt op het jaar waarin ze aangemaakt werden. Dit betekent ten hoogste 2 jaar.
- Op de bewonerskaarten of -vignetten staat vermeld:
- De bewonerskaarten of -vignetten zijn op een bepaalde manier tegen namaak beschermd.
§2. De gemeentelijke parkeerkaart bedoeld in §1 kan vervangen worden door een elektronisch toezichtsysteem op basis van het kenteken van het voertuig waarbij de voorwaarden van uitreiken dezelfde zijn als in §1. In dit geval moet, waar verwezen wordt naar ‘het zichtbaar aanbrengen van de door de gemeente uitgereikte bewonerskaart of -vignet overeenkomstig het ministerieel besluit van 9 januari 2007 op de binnenkant van de voorruit van het voertuig, of als er geen voorruit is op het voorste gedeelte van het voertuig’ dit begrepen worden als een controle via het elektronisch toezichtsysteem.
Artikel 14.3.
De retributie op de afgifte van de bewonerskaarten of -vignetten zoals bedoeld in
artikel 14.2, §1. wordt als volgt vastgesteld:
- Gratis voor de originele bewonerskaart of -vignet
- 15 euro voor een duplicaat dat wordt afgegeven naar aanleiding van verlies, diefstal, vernietiging, onleesbaarheid, beschadiging, … van de originele bewonerskaart of -vignet.
Artikel 14.4.
De retributie voor het parkeren op parkeerplaatsen met een blauwe zone reglementering met uitzondering voor bewoners en op parkeerplaatsen voor bewoners, wordt als volgt vastgesteld:
- Het parkeren van voertuigen van de bewoners is gratis.
Het statuut van bewoner wordt vastgesteld door het zichtbaar aanbrengen van de door de gemeente uitgereikte bewonerskaart of -vignet overeenkomstig het ministerieel besluit van 9 januari 2007 op de binnenkant van de voorruit van het voertuig, of als er geen voorruit is op het voorste gedeelte van het voertuig.
- Het parkeren van voertuigen gebruikt door personen met een handicap is gratis. Het statuut van ‘persoon met een handicap’ wordt beoordeeld op het ogenblik van het parkeren door het aanbrengen op een zichtbare plaats op de binnenkant van de voorruit van het voertuig van de kaart uitgereikt overeenkomstig het ministerieel besluit van 7 mei 1999, of als er geen voorruit is op het voorste gedeelte van het voertuig.
- Voor het parkeren van alle andere gebruikers: 25 euro per dag.
Artikel 14.5.
De retributie is verschuldigd door de titularis van de nummerplaat van het voertuig. De retributie is verschuldigd zodra het voertuig geparkeerd is zonder parkeerkaart voor mensen met een handicap of zonder de geldige bewonerskaart of -vignet te hebben geplaatst of een bewonerskaart of -vignet te hebben geplaatst die geldig was voor een andere zone.
De retributie is betaalbaar door overschrijving van het verschuldigd bedrag op rekening van het gemeentebestuur of op de rekening, opgegeven door een derde, hierna concessionaris genoemd. Deze concessionaris dient door het gemeentebestuur te zijn aangesteld met het oog op het uitoefenen van het toezicht op de naleving van onderhavig reglement.
De retributie dient betaald te worden binnen de zeven dagen na het aanbrengen door de concessionaris, van de betalingsuitnodiging op de voorruit van het voertuig. Indien de retributie niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, ontvangt de schuldenaar een eerste schriftelijke herinnering vanwege de concessionaris.
Deze herinnering wordt bezorgd zonder bijkomende administratieve kost. Indien na deze eerste herinnering geen betaling wordt verricht binnen een termijn van 14 kalenderdagen die ingaat op de 3de werkdag na verzending van voornoemde herinnering, wordt een bijkomende forfaitaire vergoeding van 20 euro gevorderd. Het dossier wordt voor minnelijke invordering overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder, die nog een laatste herinnering stuurt. Indien de verschuldigde retributie verhoogd met deze bijkomende forfaitaire vergoeding niet wordt betaald binnen de in de laatste herinnering gestelde termijn, wordt overgegaan tot gerechtelijke invordering. In voorkomend geval vallen de kosten, rechten en uitgaven gemaakt voor de gerechtelijke invordering van de verschuldigde bedragen ten laste van de schuldplichtige van de retributie en zullen deze toegevoegd worden aan het door hem initieel verschuldigde bedrag (bedrag van de retributie en forfaitaire vergoeding van 20 euro).
Artikel 14.6.
Zijn vrijgesteld van deze retributie: de inname van een parkeerplaats binnen een zone voor bewonersparkeren op basis van een vergunning waarop de bepalingen van hoofdstuk 13 van huidig reglement van toepassing zijn.
Artikel 15.1.
Er wordt een retributie gevestigd op het parkeren van motorvoertuigen op de openbare weg of op plaatsen gelijkgesteld aan de openbare weg.
Onder openbare weg verstaat men de wegen en hun trottoirs of nabijgelegen bermen die eigendom zijn van de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke overheden.
Onder met een openbare weg gelijkgestelde plaatsen verstaat men de parkeerplaatsen gelegen op de openbare weg, zoals vermeld in artikel 4, §1, 2de lid, van de wet van
25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten.
Artikel 15.2.
De retributie wordt vastgesteld als volgt:
- Gratis voor de maximale duur die toegelaten is door de verkeersborden en volgens artikel 27.1 en 27.2 (betreffende beperkte parkeerduur blauwe zone) van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement van politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg
- Een forfaitair bedrag van 25 euro voor elke periode die langer is dan deze die gratis is.
De door de gebruiker gewenste parkeerduur wordt vastgesteld door het zichtbaar aanbrengen, achter de voorruit, van de parkeerschijf, overeenkomstig artikel 27.1 van vernoemd koninklijk besluit van 1 december 1975.
Artikel 15.3.
Zijn vrijgesteld van deze retributie:
- De bewoners die de door de gemeente uitgereikte officiële bewonerskaart, overeenkomstig het ministerieel besluit van 9 januari 2007, zichtbaar aanbrengen achter de voorruit van het voertuig doch dit enkel op de plaatsen waar de verkeerssignalisatie aanduidt dat de bewoners deze bewonerskaart mogen aanwenden.
- Het parkeren van voertuigen gebruikt door personen met een handicap.
Het statuut van ‘persoon met een handicap’ wordt beoordeeld op het ogenblik van het parkeren door het aanbrengen op een zichtbare plaats achter de voorruit van het voertuig, van de kaart, uitgereikt overeenkomstig het ministerieel besluit van 7 mei 1999.
- De inname van een parkeerplaats binnen een blauwe zone op basis van een vergunning waarop de bepalingen van hoofdstuk 13 van huidig reglement van toepassing zijn.
Artikel 15.4.
De retributie is verschuldigd door de titularis van de nummerplaat van het voertuig.
De retributie is verschuldigd zodra het voertuig langer geparkeerd is dan de tijd die toegelaten is door de verkeersborden.
Artikel 15.5.
De retributie is betaalbaar door overschrijving van het verschuldigd bedrag op rekening van het gemeentebestuur of op de rekening, opgegeven door een derde, hierna concessionaris genoemd. Deze concessionaris dient door het gemeentebestuur te zijn aangesteld met het oog op het uitoefenen van het toezicht op de naleving van onderhavig reglement.
De retributie dient betaald te worden binnen de zeven dagen na het aanbrengen door de concessionaris, van de betalingsuitnodiging op de voorruit van het voertuig. Indien de retributie niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, ontvangt de schuldenaar een eerste schriftelijke herinnering vanwege de concessionaris.
Deze herinnering wordt bezorgd zonder bijkomende administratieve kost. Indien na deze eerste herinnering geen betaling wordt verricht binnen een termijn van 14 kalenderdagen die ingaat op de 3de werkdag na verzending van voornoemde herinnering, wordt een bijkomende forfaitaire vergoeding van 20 euro gevorderd. Het dossier wordt voor minnelijke invordering overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder, die nog een laatste herinnering stuurt. Indien de verschuldigde retributie verhoogd met deze bijkomende forfaitaire vergoeding niet wordt betaald binnen de in de laatste herinnering gestelde termijn, wordt overgegaan tot gerechtelijke invordering. In voorkomend geval vallen de kosten, rechten en uitgaven gemaakt voor de gerechtelijke invordering van de verschuldigde bedragen ten laste van de schuldplichtige van de retributie en zullen deze toegevoegd worden aan het door hem initieel verschuldigde bedrag (bedrag van de retributie en forfaitaire vergoeding van 20 euro).
Artikel 16.1.
Er wordt, ten voordele van de gemeente, een retributie ingevoerd op het afzonderlijk aansluiten van regenwater- en afvalwaterhuisaansluitingen op het gemeentelijk rioleringsnet.
Artikel 16.2.
De retributie is solidair verschuldigd door de aanvrager die om de afzonderlijke aansluiting op het gemeentelijk rioleringsnet verzoekt en de eigenaar van het pand of onroerend goed dat op het rioleringsnet wordt aangesloten.
Artikel 16.3.
De kostprijs voor een rioolaansluiting op het gemeentelijke rioleringsnet wordt vastgesteld op 100% van de som van de uitgevoerde werken in het geval één aansluiting op het rioleringsnet wordt gerealiseerd. In de gevallen waar zowel een regenwater- als een afvalwateraansluiting dient gerealiseerd, is de retributie slechts verschuldigd voor één aansluiting.
Artikel 17.1.
Er wordt een retributie ingevoerd op het plaatsen van een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater (IBA).
Artikel 17.2.
De retributie is solidair verschuldigd door elke eigenaar of zakelijk gerechtigde van het goed waar de IBA geplaatst wordt en die de overeenkomst inzake de installatie en exploitatie van individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater (IBA) hebben afgesloten.
Artikel 17.3.
De retributie voor de plaatsing van de IBA wordt vastgesteld op 940 euro, te verhogen met de btw in de mate dat deze ook ten laste komt van het gemeentebestuur.
Dit bedrag wordt jaarlijks op 1 januari geïndexeerd met de consumptieprijsindex, voor het eerst per 1 januari 2020, volgens de hierna vermelde formule:
- basisprijs X nieuwe index/basisindex waarbij:
- basisindex: consumptieprijsindex van de maand december 2011
- nieuwe index: consumptieprijsindex van de maand december van het jaar voorafgaand waarin de aanpassing plaatsvindt.
Artikel 17.4.
Deze retributie kan vereffend worden hetzij door een éénmalige betaling van het volledig verschuldigd bedrag, hetzij door de betaling van een jaarlijkse schijf en dit gespreid over 5 jaar.
Elke jaarlijkse betaling omvat de jaarlijkse schijf van het terug te betalen kapitaal dat aangewend werd ter betaling der terugvorderbare uitgaven, vermeerderd met het bedrag van de intrest op het nog niet-teruggestorte gedeelte van het kapitaal.
De toe te passen rentevoet is de eerste IRS-ASK rentevoet op 5 jaar die op de eerste dag van de maand volgend op de plaatsing van de IBA beschikbaar is, verhoogd met
75 basispunten. De toe te passen rentevoet kan nooit negatief zijn. De rentevoet blijft gehandhaafd gedurende de ganse looptijd waarin de retributie verschuldigd is.
De schuldenaar kan, te allen tijde, het eigendom ontlasten van het bedrag van de terugvorderbare uitgave die erop betrekking heeft, door aan de gemeente het bedrag van de nog niet eisbare schijven van het kapitaal te storten.
De intrest is steeds verschuldigd voor het jaar tijdens hetwelk de betaling plaats heeft.
Artikel 18.1.
Er wordt een retributie ingevoerd op het uitvoeren van verplaatsingen door de medewerkers van de gemeente of het dierenasiel waarmee de gemeente een samenwerkingsovereenkomst afgesloten heeft voor interventies voor verloren, achtergelaten, verwaarloosde, in beslag genomen of verbeurd verklaarde dieren.
Artikel 18.2.
De retributie is verschuldigd door de rechtmatige eigenaar of houder van het dier, ongeacht of deze het dier terugeist of niet.
Artikel 18.3.
De retributie bedraagt 35 euro per interventie. Voor interventies tijdens het weekend, op feestdagen en tussen 19 uur en 8 uur bedraagt de retributie 50 euro per interventie.
Artikel 19.1.
Er wordt een retributie ingevoerd op het gebruik van een door de gemeente aangeboden fietskluis voor de beschikbare plaatsen. Er wordt toegang genomen tot de fietskluis via een toegangsbadge (eenmalige vergoeding van 5 euro per toegangsbadge).
Artikel 19.2.
§1. De retributie is verschuldigd door de aanvrager en bedraagt 7,5 euro per maand.
§2. De betaling van de retributie gebeurt op jaarbasis en voorafgaandelijk. Bij de start van de dienstverlening wordt de eerste retributie pro rata berekend in functie van het nog aantal resterende maanden van het lopende jaar, waarbij elke begonnen maand volledig wordt aangerekend. De eerste retributie dient betaald te worden voor ontvangst van de toegangsbadge.
§3. De betaalde retributie is niet terugvorderbaar.
§4. Indien er stalplaatsen beschikbaar zijn, is een kortere gebruikstermijn mogelijk a rato van de in §1. bedoelde retributie voor de afgesproken gebruikstermijn, waarbij elke begonnen maand volledig wordt aangerekend. Ook deze retributie wordt voorafgaandelijk aangerekend.
Artikel 19.3.
De gemeente kan op geen enkele manier aansprakelijk gesteld worden voor schade aan of diefstal van de fiets naar aanleiding van of ten gevolge het gebruik van de fietskluis.
Hoofdstuk 20. Retributie voor kabelmatten voor elektrische en hybride voertuigen
Artikel 20.1.
Er wordt een retributie geheven op de aflevering van kabelmatten voor elektrische en hybride voertuigen (cfr. artikel 206ter algemene politieverordening).
De retributie bedraagt voor een kabelmat van 120 cm x 40 cm 65 euro per stuk, voor een kabelmat van 160 cm x 40 cm 100 euro per stuk.
Artikel 21.1.
Behoudens andersluidende specifieke bepaling, worden de retributies, vermeld in dit reglement, ingevorderd door middel van een factuur. Deze factuur dient te worden betaald hetzij door overschrijving op de vermelde bankrekening van het gemeentebestuur, hetzij door storting in contanten in de gemeentekas. Met storting in contanten wordt gelijkgesteld de betaling via elektronische weg, zoals bancontact of gelijkaardige mogelijkheden.
De betaling dient te gebeuren binnen de periode zoals vermeld in dit reglement of zoals vermeld op de factuur.
Bij gebreke aan enige specifieke vermelding inzake de betalingstermijn, dient de retributie onmiddellijk te worden betaald.
Bij gebrek aan minnelijke betaling wordt de retributie burgerrechtelijk, hetzij door middel van een dwangbevel, voorzien in artikel 177 van het decreet lokaal bestuur, ingevorderd.
Artikel 21.2.
Het college van burgemeester en schepenen wordt gemachtigd om tarieven voor onderstaande prestaties van de gemeentelijke diensten vast te stellen, dit zowel naar aard als naar het bedrag en aan zijn reglement alle wijzigingen aan te brengen die het noodzakelijk acht.
De lijst van tarieven die door het college van burgemeester en schepenen bepaald kunnen worden:
- De toegangsprijzen voor optredens in het cultuurcentrum (eigen programmatie)
- De tarieven voor verkoop van dranken e.a.
- Het tarief voor vormingsactiviteiten, lezingen en uitstappen
- De prijs van een schoolmaaltijd (exclusief het remgeld)
- De prijs voor allerlei uitstappen
- De prijs voor schoolactiviteiten
- Het tarief voor sportkampen en sportlessen
- Het tarief voor de vakantiewerking
- Het tarief voor het ontlenen van verkleedkledij
- Het tarief van plannen horende bij bestekken
- Tarief voor inschrijvingsgeld niet-gesubsidieerd onderwijs
- Tarief voor occasionele prestaties van gemeentepersoneel
- Tarief voor toeristische prestaties en activiteiten
- Tarief voor soortgelijke prestaties of administratieve kosten verbonden aan gemeentelijke dienstverlening waarvoor geen retributiereglement door de gemeenteraad is vastgesteld.
Het college van burgemeester en schepenen houdt bij de bepaling van het tarief rekening met de kostprijs van de verstrekte dienst. Een differentiatie van het tarief kan gemotiveerd worden binnen een doelgroepenbeleid, zeker indien dit kadert binnen de beleidsdoelstellingen door de gemeenteraad vastgelegd. De tariefbepaling kan ook rekening houden met promotionele acties die de burger meer met de dienstverlening vertrouwd kunnen maken. De vastlegging van tarieven binnen specifieke beleidsdomeinen wordt voor advies voorgelegd aan de beheersorganen of aan de betrokken adviesraden.
Artikel 21.3.
De overtredingen op dit reglement worden vastgesteld door de daartoe aangestelde en beëdigde ambtenaren.
Artikel 2
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en is van toepassing op alle handelingen of gebeurtenissen die het voorwerp uitmaken van dit reglement en die gesteld of zich voordoen vanaf 1 januari 2026.
Dit reglement vervangt integraal het algemeen retributiereglement zoals gecoördineerd door het college van burgemeester en schepenen op 15 oktober 2025.
De gemeentelijke saneringsbijdrage en -vergoeding voor 2026 is gelijk aan de bovengemeentelijke bijdrage vermenigvuldigd met de maximale vermenigvuldigingscoëfficiënt (momenteel 1,15).
Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, in casu de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening cv (hierna De Watergroep), wordt belast met de sanering van het door de exploitant aan haar abonnees geleverde water met het oog op het behoud van de kwaliteit van het geleverde water. Aan de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst te sluiten met de gemeente. De exploitant zal in dat geval de gemeentelijke saneringsverplichting in haar geheel overdragen.
De gemeenteraad hechtte op 3 juli 2025 haar goedkeuring aan de overeenkomst betreffende de overdracht van de gemeentelijke saneringsverplichting krachtens dewelke de gemeente de eindverantwoordelijkheid draagt voor het naleven van de saneringsverplichtingen. In uitvoering van deze overeenkomst moet de gemeente uiterlijk de laatste werkdag van het lopende jaar een beslissing nemen over de saneringsbijdrage die zal gelden tijdens het volgende kalenderjaar.
Voor de komende jaren wordt voorgesteld om verder de maximale tarieven voor de gemeentelijke bijdrage en vergoeding toe te passen, deze worden berekend door de tarieven voor de bovengemeentelijke bijdrage te vermenigvuldigen met de maximale verhogingscoëfficiënt (momenteel 1,15).
Artikel 1
De Watergroep wordt toegestaan de maximale tarieven voor de gemeentelijke saneringsbijdrage en -vergoeding toe te passen met ingang van 1 januari 2026.
De maximale tarieven worden berekend door de tarieven voor de bovengemeentelijke bijdrage te vermenigvuldigen met de maximale vermenigvuldigingscoëfficiënt (momenteel 1,15 onder voorbehoud van decretale aanpassing).
Artikel 2
Goedkeuring wordt gegeven aan de ingevulde 'template tarieven 2026-bijlage 1' en 'template tarieven 2026-bijlage 2'.
Het retributiereglement op werken aan nutsvoorzieningen elektriciteit en gas op gemeentelijk openbaar domein wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het retributiereglement op werken aan nutsvoorzieningen op gemeentelijk openbaar domein. Er wordt voorgesteld een geactualiseerde versie vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2028.
De gemeente en de burgers worden voortdurend geconfronteerd met de plaatsing van en/of onderhoud aan verschillende nutsvoorzieningen op gemeentelijk grondgebied. Deze nutsvoorzieningen vergen werkzaamheden langs de gemeentelijke wegen en hebben aldus een impact op het openbaar domein.
De gemeenteraad keurde op 10 februari 2017 de code voor infrastructuur- en nutswerken langs gemeentewegen goed. Deze heeft tot doel een snelle en vlotte uitvoering van de werken te bevorderen, teneinde de hinder en de duur van de werken tot een minimum te herleiden.
Op het vlak van het onderhoud en de herstellingen moeten er ook geregeld dringende werken worden uitgevoerd die verband houden met de continuïteit van de dienstverlening en daarnaast zijn er ook een aantal werken zoals aansluitingswerken, herstellingen en andere kleine onderhoudswerken die omzeggens constant een impact hebben op het openbaar domein.
De gemeente kan aan de distributienetbeheerders een retributie aanrekenen voor de hinder op het gebruik van het gemeentelijk openbaar domein naar aanleiding van werken aan de nutsvoorzieningen elektriciteit en gas.
Artikel 1 - Algemeen
Er wordt aan de eigenaar van elke nutsvoorziening een retributie aangerekend op de gemeentelijke dienstverlening en het gebruik van het gemeentelijk openbaar domein naar aanleiding van werken aan permanente nutsvoorzieningen op het gemeentelijk openbaar domein, in uitvoering en met toepassing van de code voor infrastructuur- en nutswerken langs gemeentewegen.
Permanente nutsvoorzieningen omvatten:
De retributie is niet verschuldigd indien de werken worden uitgevoerd samen met of onmiddellijk voorafgaand aan wegen- of rioleringswerken uitgevoerd door de gemeente of indien het werken zijn die uitgevoerd worden op verzoek van de gemeente.
Deze retributie sluit elke andere heffing, semi-heffing, of waarborgstelling in het kader van werken aan permanente nutsvoorzieningen door de gemeente uit zowel in hoofde van de distributienetbeheerder als van haar werkmaatschappij en ongeacht of voorgenoemden deze werken uitvoeren in eigen naam, dan wel laten uitvoeren door derden in naam en voor rekening van de distributienetbeheerder of de werkmaatschappij.
Onderhavig retributiereglement gaat in vanaf 1 januari 2026 voor een termijn eindigend op 31 december 2028.
Artikel 2 - Retributie naar aanleiding van sleufwerken
De retributie naar aanleiding van sleufwerken is verschuldigd per dag en per meter openliggende sleuflengte voor alle sleufwerken. Zij bedraagt per meter sleuflengte voor werken in rijwegen 10,24 euro, voor werken in voetpaden 7,88 euro en voor werken in aardewegen 4,73 euro.
Op deze basisbedragen wordt een indexatie toegepast, naar analogie met de door de VNR goedgekeurde niet-periodieke tarieven, zoals jaarlijks gepubliceerd in augustus.
Indexatie gebeurt aan het begin van een nieuwe cyclus van 3 jaar.
Een begonnen dag geldt voor een volledige dag.
Artikel 3 - Retributie voor dringende werken, aansluitingswerken, herstellingen, kleine onderhoudswerken en ter compensatie van diverse heffingen en belastingen
Voor de hinder veroorzaakt door de dringende werken, aansluitingswerken, herstellingen en kleine onderhoudswerken met een sleufoppervlakte van maximum 3 m², wordt per kalenderjaar een retributie geheven van 1 euro per op het grondgebied van de gemeente aanwezig aansluitingspunt.
Ter compensatie van diverse heffingen en belastingen in hoofde van zowel de distributienetbeheerder als zijn werkmaatschappij wordt een retributie voorzien van 0,50 euro per aanwezig aansluitingspunt op het grondgebied van de gemeente.
Op deze basisbedragen wordt een indexatie toegepast, naar analogie met de door de VNR goedgekeurde niet-periodieke tarieven, zoals jaarlijks gepubliceerd in augustus.
Indexatie gebeurt aan het begin van een nieuwe cyclus van 3 jaar.
Deze retributies zijn verschuldigd vóór het einde van ieder jaar. In dit kader doet iedere nutsmaatschappij vóór 15 december van ieder jaar opgave van het aantal aansluitingspunten op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 4 – Inning
De retributie dient te worden betaald binnen de 30 kalenderdagen na toezending van de facturen.
De dotatie aan de politiezone Grensleie voor 2025, ten laste van de gemeente Wevelgem, wordt vastgesteld op 5 203 739 euro.
De gemeente Wevelgem maakt deel uit van de politiezone Grensleie (Menen - Wevelgem - Ledegem).
De dotatie van de gemeente Wevelgem aan de politiezone Grensleie, voor het dienstjaar 2026, opgenomen in het ontwerp van politiebegroting 2026 dat geagendeerd wordt voor de politieraad van 18 december 2025, wordt begroot op 5 203 738 euro. In de documentatie bij het meerjarenplan 2026-2031 is een dotatie aan de politiezone van 5 203 739 euro (afrondingsverschil) opgenomen.
Met dit akkoord wordt uitvoering gegeven aan actie PB5-ACT13 uit het meerjarenplan 2026-2031: 'We garanderen de werking van onze politiezone Grensleie en onze hulpverleningszone Brandweer Fluvia via dotaties'.
De uitgave wordt geboekt op rekening PB5-ACT13/0400-00/649001 van het exploitatiekrediet.
De gemeentelijke dotatie voor de politiezone Grensleie wordt voor het dienstjaar 2026 vastgesteld op 5 203 739 euro.
De gewijzigde samenwerkingsovereenkomst met vzw Poerderie voor de opdrachten 'klus- tuin- en verhuisopdrachten', 'vervoer van goederen' in functie van dienstverlening aan kwetsbare burgers en 'marktvervoer' wordt goedgekeurd.
In zitting van de gemeenteraad van 13 november 2025 werd de samenwerkingsovereenkomst met vzw Poerderie, in het bijzonder voor wat betreft 'marktvervoer', goedgekeurd.
Na een opmerking door een gemeenteraadslid n.a.v. de beraadslaging van dit agendapunt over een tegenstrijdigheid tussen artikel 9 en artikel 14 in de voorgelegde samenwerkingsovereenkomst, werd deze toch goedgekeurd. Na overleg met vzw De Poerderie, die had voorgesteld om betwiste artikelen op te nemen in de samenwerkingsovereenkomst op voorstel van hun belangenvereniging HERWIN vzw, wordt voorgesteld om alsnog een gewijzigde samenwerkingsovereenkomst voor te leggen met schrapping van het betwiste artikel 9. Immers betwiste artikelen bevatten inderdaad een tegenstrijdigheid, die in geval van een eventueel geschil voor onduidelijkheid zou kunnen zorgen.
Om deze reden wordt voorgesteld om de beslissing van 13 november 2025 integraal te hernemen.
1. Context en voorgeschiedenis
Het lokaal bestuur engageert zich om waar mogelijk en aangewezen opdrachten toe te wijzen aan de sociale economie, en zo de noodzakelijke sociale tewerkstelling te stimuleren.
Sinds 2017 werkt het lokaal bestuur samen met vzw Poerderie (voorheen vzw Effect) voor opdrachten die binnen de lokale diensteneconomie konden worden uitgevoerd: klus- en verhuisdienst voor particulieren, marktvervoer, netheid van het openbaar domein, vervoersopdrachten voor de Sociale Kruidenier Pit en Boon. De samenwerkingsovereenkomsten lopen tot eind 2025 (cfr. beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van 8 juli 2022 en beslissing van de gemeenteraad van 8 juni 2023).
Sinds juli 2023 is lokale diensteneconomie uitgedoofd. Het specifieke karakter ervan blijft verankerd in het 'aanvullend lokaal dienstenaanbod', geregeld via de regelgeving over maatwerk bij individuele inschakeling. De doelstelling van het aanvullend lokaal dienstenaanbod is het verstrekken van lokale dienstverlening die beantwoordt aan maatschappelijke evoluties en reële behoeften die niet of onvoldoende worden ingevuld door de markt of andere voorzieningen (marktfalen) en tegelijk mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt werkervaring laten opdoen in een sociaal-economie-omgeving.
2. Vaststellen van opdrachten als diensten van algemeen economisch belang
De gemeenteraad definieerde in zitting van heden het marktvervoer als dienst van algemeen economisch belang. Aan de raad voor maatschappelijk welzijn wordt gevraagd de volgende opdrachten te definiëren als diensten van algemeen economisch belang: 'klus-, tuin- en verhuisdienst' en 'vervoer van goederen' in functie van dienstverlening aan kwetsbare burgers.
Hierdoor kan het lokaal bestuur een samenwerkingsovereenkomst afsluiten met een sociale tewerkstellingsonderneming (STO) voor de uitvoering van deze dienstverlening (cfr. besluit 2012/21/EU van de Europese commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen).
3. De samenwerkingsovereenkomst voor 'klus-, tuin- en verhuisdienst', 'vervoer van goederen' in functie van dienstverlening aan kwetsbare burgers en marktvervoer
Het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst regelt de ondersteuning door het lokaal bestuur Wevelgem, met het oog op samenwerking rond 'aanvullende lokale diensten' gekaderd in het meerjarenplan van het lokaal bestuur Wevelgem. Het ontwerp wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad voor wat betreft het marktvervoer en wordt ook ter goedkeuring voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn voor wat betreft 'klus-, tuin- en verhuisdienst', 'vervoer van goederen' in functie van dienstverlening aan kwetsbare burgers.
Klus- en verhuisdienst:
Marktvervoer:
Vervoersopdracht voor Pit en Boon:
Artikel 1
Deze beslissing vervangt integraal de beslissing van 13 november 2025 van de gemeenteraad houdende de goedkeuring aan de samenwerkingsovereenkomst met vzw Poerderie, in het bijzonder voor wat betreft 'marktvervoer'.
Artikel 2
Hecht zijn goedkeuring aan de samenwerkingsovereenkomst met vzw Poerderie, in het bijzonder voor wat betreft 'marktvervoer' als volgt:
SAMENWERKINGSOVEREENKOMST VOOR 'KLUS-, TUIN- EN VERHUISDIENST', 'VERVOER VAN GOEDEREN' IN FUNCTIE VAN DIENSTVERLENING AAN KWETSBARE BURGERS EN 'MARKTVERVOER'
Tussen
1. Gemeente Wevelgem, Vanackerestraat 16, 8560 Wevelgem, vertegenwoordigd door de heer Michaël Picquart, voorzitter van de gemeenteraad, en de heer Kurt Parmentier, algemeen directeur;
2. OCMW Wevelgem, Deken Jonckheerestraat 9, 8560 Wevelgem, vertegenwoordigd door de heer Michaël Picquart, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, en de heer Kurt Parmentier, algemeen directeur;
hierna gezamenlijk 'het lokaal bestuur' en
3. Vzw Poerderie, Wagenmakersstraat 54, 8500 Kortrijk, vertegenwoordigd door de heer Yvan Winne, voorzitter, en de heer Steven Lapauw, directeur;
hierna 'de uitvoerder';
hierna eveneens elk afzonderlijk de 'partij' en gezamenlijk de 'partijen';
Er wordt verwezen naar de beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn en de gemeenteraad van 13 november 2025 tot vaststelling van de opdrachten 'klus-, tuin- en verhuisdienst', 'vervoer van goederen' in functie van dienstverlening aan kwetsbare burgers en 'marktvervoer' als diensten van algemeen economisch belang.
Er wordt het volgende overeengekomen:
Artikel 1 - Omschrijving dienst van algemeen economisch belang (DAEB) en modaliteiten
Het lokaal bestuur belast vzw Poerderie met het uitvoeren van de volgende dienst van algemeen economisch belang (dienstverlening/takenpakket) op het grondgebied van de gemeente Wevelgem:
Kwaliteitsvolle en toegankelijke diensten verlenen en ontwikkelen die optimale synergie genereren tussen de creatie van werkgelegenheid voor mensen die moeilijk hun weg vinden naar de arbeidsmarkt en de lokale behoeften (collectief of individueel) die onvoldoende gelenigd worden door de commerciële markt of binnen het bestaande aanbod maatschappelijke dienstverlening.
Bij voorkeur wordt deze dienstverlening participatief georganiseerd (door het betrekken van de relevante stakeholders) en creëert zij een maatschappelijke meerwaarde door duurzaam ondernemen na te streven en te promoten. Deze dienstverlening is niet marktverstorend op het vlak van prijszetting (rekening houdend met de mogelijkheid tot sociale correctie) en complementair ten aanzien van het bestaande reguliere dienstenaanbod. Bij het uitbouwen van die dienstverlening zal bijzondere aandacht gaan naar de zwakste doelgroepen, opdat deze, ten gevolge van de grotere nadruk op doorstroom van werknemers in het decreet over maatwerk bij individuele inschakeling en de gevolgen hiervan op de (stabiliteit van de) werking, niet in verdrukking komen.
Voor de hierboven geformuleerde algemene doelstelling kan vzw Poerderie geen andere compensatie van het lokaal bestuur verkrijgen.
LUIK A: klus-, tuin- en verhuisdienst
Klussen en tuinopdrachten die deel uitmaken van het alledaags onderhoud van en rond de woning en de verhuis- en vervoerdienst die instaat voor verhuisopdrachten en vervoer van materialen, dit met bijzondere aandacht voor mensen die niet in staat zijn deze zelf uit te (laten) voeren omwille van medische, mentale, sociale, psychologische reden of handicap – zoals geattesteerd door het OCMW – en/of omwille van financiële redenen hiervoor niet op de markt terecht kunnen (c.q. gerechtigd op sociaal tarief).
De klusopdrachten betreffen (niet limitatief):
Verhuizen zijn beperkt tot verhuizen met minstens één adres op het grondgebied van de gemeente Wevelgem (adres waar men vertrekt of adres waar men aankomt). Er worden hiervoor in overleg met het OCMW concrete modaliteiten vastgelegd.
De vervoeropdrachten worden beperkt tot het verhuizen van materiaal (noch mensen, noch dieren, geen gevaarlijke stoffen). Het OCMW inventariseert en bepaalt de doelgroep voor de klusjes- en verhuisdienst en brengt de uitvoerder hiervan op de hoogte.
LUIK B: Vervoer van goederen in opdracht van het lokaal bestuur, mede in functie van dienstverlening aan kwetsbare burgers
De gemeente Wevelgem voorziet ruimte op de plaatselijke markten om de goederen van de marktbezoekers in te zamelen.
In uitzonderlijke gevallen kan de locatie en/of het tijdstip van de markt wijzigen of niet plaats vinden. De gemeente Wevelgem brengt de uitvoerder tijdig op de hoogte indien er zich wijzigingen voordoen.
Artikel 2 - Criteria voor beoordeling van de realisatie van de doelstelling (op jaarbasis)
LUIK A: klus-, tuin- en verhuisdienst
LUIK B: Vervoer van goederen in opdracht van het lokaal bestuur, mede in functie van dienstverlening aan kwetsbare burgers
Artikel 3 - Duur
Deze overeenkomst wordt gesloten voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
Artikel 4 - Financiering
De financiering van de dienstverlening gebeurt met toepassing van het besluit 2012/21/EU van de Europese commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
LUIK A: klus-, tuin- en verhuisdienst
Het lokaal bestuur voorziet jaarlijks (geraamd) 34 000 euro als compensatiefinanciering voor de uitvoering van de opdracht 'klus-, tuin- en verhuisdienst'.
De klant betaalt altijd een deel van de kostprijs. Het tarief te betalen door de klant is afhankelijk van de financiële situatie van de klant.
De doelgroepen en tarieven zijn als volgt:
a. Kansentarief (per 1 januari 2026: 10 euro/uur/medewerker)
b. Klantentarief (per 1 januari 2026: 21 euro/uur/medewerker)
c. Zorgtarief (per 1 januari 2026: 42 euro/uur/medewerker)
Deze categorie is er voor mensen die een inkomen hebben boven het referentiebudget en geen recht hebben op verhoogde tegemoetkoming maar die toch een zorgvraag hebben waar aanvullende dienstverlening een antwoord kan op bieden. De inschatting naar de zorgnood wordt gemaakt door de maatschappelijk werkers binnen het Sociaal Huis.
Deze groep geniet enkel een vrijstelling van btw, betaalt verder zelf volledig de factuur en het lokaal bestuur komt financieel niet tussen.
Het lokaal bestuur staat dus in voor de screening van de klant, maar deze groep heeft geen budgettaire impact voor het lokaal bestuur.
d. Regulier tarief
Deze groep heeft geen zorgprofiel, geniet geen vrijstelling van btw en betaalt de factuur volledig zelf. Het lokaal bestuur komt niet tussen.
Deze groep wordt bediend zoals op de reguliere markt. Rond deze klantgegevens wordt niet gecommuniceerd. Dit volume kan worden aangewend als buffer om de tewerkstelling op de sociale werkvloer (binnen individueel maatwerk) te garanderen. Tevens zijn dit goede oefenwerkvloeren om de aansluiting met de reguliere arbeidsmarkt te kunnen overbruggen. Deze groep heeft geen budgettaire impact voor het lokaal bestuur.
Binnen het regionaal kader werden enkele principes opgenomen die het specifiek uurtarief en/of particulier tarief bepalen.
Prijsopbouw standaardprijs/uurtarief voor klus-, tuin- en verhuisdienst
De all-in standaardprijs wordt opgebouwd uit volgende items: totaal bruto jaarloonkost, de overheadkost werkbegeleider en gekwalificeerde begeleider, planning en administratie overheadkost, werkmateriaal (exclusief verbruiksgoederen), verplaatsingskosten. De loonpremie en begeleidingspremie individueel maatwerk worden in mindering gebracht.
Indexering
Om het werkbaar te houden voor alle partijen wordt de kostprijs gekoppeld aan de spilindex. Bij het berekenen van deze nieuwe prijs wordt er telkens afgerond per halve euro, de aanpassing gebeurt maximaal éénmaal per jaar.
Verplaatsingstijd
De verplaatsingstijd tot de startplaats van de opdracht is ingerekend in de standaardprijs, er worden hiervoor dus geen extra kosten aangerekend.
Afval
Vanuit een duurzaamheidsprincipe wordt gekozen om elke gebruiker te laten betalen voor de extra kosten die worden gemaakt voor het verwijderen van het afval. Dit wil bijvoorbeeld zeggen dat wanneer er naar het recyclagepark wordt gegaan, de nodige werkuren aangerekend worden aan de klant, alsook de verwerkingskosten voor het desbetreffende afval.
Onderstaande tabel is de vertaling van de verschillende tarieven per doelgroep (per 1 januari 2026):
|
|
Klant |
Lokaal bestuur |
Totaal |
| Kansentarief: 20% (minimum 10 euro) - 80% |
10 euro |
32 euro |
42 euro |
| Klantentarief: 50% - 50% |
21 euro |
21 euro |
42 euro |
| Zorgtarief: 100% - 0% |
42 euro |
0 euro |
42 euro |
| Regulier tarief: 100% + btw |
50,82 euro |
0 euro |
42 euro + btw |
De tussenkomst wordt aan vzw Poerderie als volgt uitbetaald: vzw Poerderie factureert de opdrachten rechtstreeks aan de gebruiker. Enkel in geval van gefactureerd sociaal tarief compenseert het lokaal bestuur het restbedrag. Eventueel verlies door wanbetalers kan - na overleg - worden opgenomen in de compensatie.
Het lokaal bestuur zal de compensatiekost elk kwartaal na verantwoording van bewijsstukken uitbetalen. Dit zal gestort worden op volgend rekeningnummer BE37 7785 9954 4628 op naam van vzw Poerderie. Bij wijziging van het rekeningnummer meldt vzw Poerderie dit onmiddellijk schriftelijk aan het lokaal bestuur. Dit schrijven maakt dan onlosmakelijk deel uit van huidige overeenkomst.
De financiering van de dienstverlening gebeurt met toepassing van het besluit 2012/21/EU van de Europese commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
LUIK B: Vervoer van goederen in opdracht van het lokaal bestuur, mede in functie van dienstverlening aan kwetsbare burgers
Het lokaal bestuur financiert (geraamd) 33 792 euro/werkjaar (per 1 januari 2026) voor de volgende publieke opdrachten/taken in opdracht van het lokaal bestuur:
Prijsopbouw standaardprijs/uurtarief goederenvervoer
De all-in standaardprijs wordt opgebouwd uit volgende items: totaal bruto jaarloonkost, overheadkost werkbegeleider en gekwalificeerde begeleider, planning en administratie overheadkost, werkmateriaal (exclusief verbruiksgoederen) en verplaatsingskosten. De loonpremie en begeleidingspremie individueel maatwerk worden in mindering gebracht. Verschil in rendement (75% naar 90%) met aanvullende lokale diensten (aan particulieren) door een efficiëntere inzet van personeel bepaalt deze uurprijs van 32 euro.
Indexering
Om het werkbaar te houden voor alle partijen wordt de kostprijs gekoppeld aan de spilindex. Bij het berekenen van deze nieuwe prijs wordt er telkens afgerond per halve euro, de aanpassing gebeurt maximaal éénmaal per jaar.
Verplaatsingstijd
De verplaatsingstijd tot de startplaats van de opdracht is ingerekend in de standaardprijs, er worden hiervoor dus geen extra kosten aangerekend.
Het lokaal bestuur zal de voorziene financiering elk kwartaal na verantwoording van bewijsstukken uitbetalen. De tussenkomst zal gestort worden op volgend rekeningnummer BE69 8916 9408 0678 op naam van vzw Poerderie. Bij wijziging van het rekeningnummer meldt vzw Poerderie dit onmiddellijk schriftelijk aan het lokaal bestuur. Dit schrijven maakt dan onlosmakelijk deel uit van huidige overeenkomst.
De financiering van de dienstverlening gebeurt met toepassing van het besluit 2012/21/EU van de Europese commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
Artikel 5 - Overcompensatie
Aan het einde van het boekjaar - ten laatste mei van het volgend jaar - maakt vzw Poerderie een inhoudelijk en financieel rapport op met gedetailleerde melding van alle kosten en inkomsten van de dienst van algemeen economisch belang. De bewijsstukken ter staving van de kosten en inkomsten dienen op eenvoudig verzoek van het lokaal bestuur overgemaakt te worden.
Wanneer uit de controles of de afrekening blijkt dat er overcompensatie is, zal het lokaal bestuur het overschot terugvorderen en de parameters voor het berekenen van de compensatie herzien. De controle door het lokaal bestuur gebeurt jaarlijks.
Vzw Poerderie houdt een analytische boekhouding bij. Indien vzw Poerderie activiteiten verricht die buiten de dienst van algemeen economisch belang vallen, dient in de interne boekhouding de met de dienst van algemeen economisch belang verband houdende kosten en inkomsten, en die van de andere diensten, gescheiden worden opgenomen.
Artikel 6 - Wijzigingen
De bepalingen van deze overeenkomst kunnen uitsluitend bij een door vertegenwoordigingsbevoegde personen van beide partijen ondertekend geschrift worden aangepast, gewijzigd, aangevuld of ingeperkt. In dat geschrift moet uitdrukkelijk worden aangeduid welke bepaling van deze overeenkomst wordt aangepast, gewijzigd, aangevuld of ingeperkt. De aanpassingen, wijzigingen, aanvullingen of inperkingen treden slechts in werking vanaf de datum van ondertekening ervan, tenzij wanneer anders uitdrukkelijk en schriftelijk wordt overeengekomen.
Artikel 7 - Contactpersonen voor deze samenwerkingsovereenkomst
Voor het lokaal bestuur voor klus-, tuin- en verhuisdienst: mevrouw Hannelore Herman, verantwoordelijke dienst Thuiszorg
Voor het lokaal bestuur voor marktvervoer: de heer Stefaan Lernout, stafmedewerker Lokale Economie
Voor het lokaal bestuur voor vervoer voor Sociale Kruidenier Pit en Boon: mevrouw Karolien Poot, coördinator Sociale Kruidenier Pit en Boon
Voor het lokaal bestuur: mevrouw Sofie Delaere, directeur sociale dienst
Voor vzw Poerderie: de heer Steven Lapauw, directeur vzw Poerderie.
Elke wijziging van de contactpersoon wordt onmiddellijk schriftelijk (kan per mail) aan de andere partij gemeld. Dit schrijven maakt dan onlosmakelijk deel uit van huidige overeenkomst.
Artikel 8 - Evaluatie
Beide partijen evalueren jaarlijks de uitvoering van deze samenwerkingsovereenkomst. In onderling akkoord kunnen beide partijen de samenwerkingsovereenkomst bijsturen.
In zoverre van toepassing verbindt vzw Poerderie zich ertoe om de Europese regelgeving inzake staatssteun na te leven en daartoe de nodige initiatieven te nemen.
Artikel 9 - Deelbaarheid
De bepalingen van deze overeenkomst zullen voor zo veel mogelijk worden geïnterpreteerd in de zin dat zij onder de geldende wetgeving geldig en afdwingbaar zijn.
Indien een bepaling of een deel van een bepaling van deze overeenkomst of een in uitvoering ervan gesloten overeenkomst nietig, ongeldig of niet afdwingbaar zou zijn, kan dit op generlei wijze aanleiding geven tot de nietigheid, ongeldigheid of niet-afdwingbaarheid van de overige bepalingen (of delen ervan) van deze overeenkomst of een in uitvoering ervan gesloten overeenkomst en zal de overeenkomst tussen partijen blijven gelden met uitzondering van de nietige, ongeldige of niet-afdwingbare bepaling of deel van een bepaling.
In voorkomend geval wordt de nietige, ongeldige of niet-afdwingbare bepaling of deel daarvan van rechtswege vervangen door de wettige, geldige en afdwingbare bepaling die de oorspronkelijke bepaling of deel daarvan zowel qua inhoud, qua draagwijdte als qua bedoeling het dichtst benadert.
Artikel 10 - Gehele overeenkomst
Deze overeenkomst omvat alle afspraken die door de partijen zijn gemaakt over het voorwerp van deze overeenkomst en vervangt alle eerdere afspraken daarover tussen de partijen.
Artikel 11 - Geen afstand
Indien, bij niet-uitvoering of niet behoorlijke uitvoering van één of meer verbintenissen van een partij, de andere partij niet reageert of niet uitdrukkelijk aanspraak maakt op behoorlijke uitvoering, impliceert zulks geen afstand of verzaking van het recht van de andere partij om zich later te beroepen op de niet-uitvoering, de niet behoorlijke uitvoering en/of de niet-uitgevoerde verbintenis(sen).
Artikel 12 - Toepasselijk recht
Op deze overeenkomst is het Belgisch recht van toepassing.
Artikel 13 - Bevoegde rechtbank
Enkel de hoven en rechtbanken van het arrondissement Kortrijk zijn bevoegd om kennis te nemen van alle mogelijke betwistingen met betrekking tot, naar aanleiding van of in verband met deze overeenkomst.
Bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst: afsprakennota vervoer van goederen voor de Sociale Kruidenier Pit en Boon
|
|
Poerderie |
Partner |
| Aanduiding van de medewerker die de dienstverlening zal uitvoeren |
X |
|
| Verzekering arbeidsongevallen |
X |
|
| Toelating en rechtvaardigen van afwezigheden: - Te volgen verlofregeling - Berekening en opvolging verlofsaldi - Aanvraag verlof - Ziektemelding |
X |
|
| Controle van de arbeidstijd |
X |
|
| Planning van de uit te voeren opdrachten |
X |
|
| Richtlijnen betreffende pauzes |
X |
|
| Toegang verschaffen tot de locatie noodzakelijk voor het vervullen van de opdracht |
X |
|
| Controle op de wijze van taakuitvoering |
X |
X |
| Vorming en opleiding |
X |
|
| Voorzien van promessekaarten om taken uit te voeren |
|
X |
| Controle van het gebruik van promessekaarten |
X |
X |
| Disciplinaire sancties en ontslag |
X |
|
| Vorming en opleiding specifiek aan de uit te voeren taken binnen de dienstverlening |
X |
|
| Veiligheidsvoorschriften eigen aan de uit te voeren opdracht (VIK) |
X |
|
| Dringende interventies om schade te voorkomen/te beperken |
X |
X |
| Aanspreken betreffende aanpak bepaalde situaties en opdrachten |
X |
X |
| Dagelijkse opvolging en begeleiding van het functioneren van de medewerker |
X |
|
| Permanente bereikbaarheid voor de medewerker |
X |
|
Het convenant met Jeugdclub Ten Goudberge vzw rond subsidiëring loonkost jeugdhuiscoördinator wordt goedgekeurd.
Gemeente Wevelgem wil jeugdhuizen ondersteunen in het opzetten van een lokaal vrijetijdsaanbod voor jongeren. Dit doet het voor Jeugdclub Ten Goudberge vzw (JC Ten Goudberge) al sinds 2004 door het jeugdhuis te subsidiëren in de wedde van een beroepskracht. Het huidig convenant met JC Ten Goudberge loopt af eind 2025. Er werd een voorstel van nieuwe convenant opgemaakt voor de kalenderjaren 2026, 2027 en 2028 in overleg met JC Ten Goudberge en naar analogie met het convenant van de voorbije jaren.
Het convenant voorziet in een tussenkomst van 80% van de jaarloonkost van de coördinator waarbij een minimale inzet van 80% wordt vooropgesteld. Er wordt voorgesteld om het convenant voor een periode van drie jaar af te sluiten om vervolgens te evalueren en het convenant bij te sturen waar nodig en aan te passen aan de lokale noden.
JC Ten Goudberge kan deze weddetoelage cumuleren met de subsidies voorzien in het subsidiereglement lokaal jeugdwerk.
De werkingstoelage wordt aangerekend op rekening PB3-ACT13/0750-00/649990 van het exploitatiekrediet.
Hecht zijn goedkeuring aan het convenant tussen gemeente Wevelgem en Jeugdclub Ten Goudberge vzw als volgt:
Het convenant wordt afgesloten tussen:
enerzijds gemeente Wevelgem, vertegenwoordigd door de heer Michaël Picquart, voorzitter van de gemeenteraad, en de heer Kurt Parmentier, algemeen directeur, hierna genoemd gemeentebestuur;
anderzijds Jeugdclub Ten Goudberge vzw, vertegenwoordigd door **, hierna genoemd JC Ten Goudberge.
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
§1. Het convenant is van kracht voor de kalenderjaren 2026, 2027 en 2028. Het convenant kan niet stilzwijgend worden verlengd. Dit convenant geeft uitvoering aan PB3-AP7 van het gemeentelijk meerjarenplan 2026-2031: Er is aandacht voor de niet georganiseerde jeugd.
§2. Het gemeentebestuur kent een weddetoelage toe aan JC Ten Goudberge (ondernemingsnummer 0408.113.246) als jeugdwerkinitiatief, in het bijzonder voor zijn werking als jeugdhuis.
De subsidie bedraagt voor de kalenderjaren 2026, 2027 en 2028 80% van de effectieve jaarloonkost ten laste van JC Ten Goudberge bij tewerkstelling van een coördinator, volgens het barema vastgesteld in het paritair comité 329, en dit voor een minimale inzet van 0,80 VTE.
De subsidie is cumuleerbaar met de subsidies voorzien in het subsidiereglement voor lokaal jeugdwerk.
De beroepskracht waarvoor de subsidie wordt gegeven is niet rechtstreeks of onrechtstreeks gesubsidieerd door een andere overheidsinstelling. Eventuele tussenkomsten door andere instanties op de jaarloonkost van deze beroepskracht dienen in mindering gebracht te worden bij de berekening van de weddetoelage.
Voor de toepassing van dit convenant wordt onder jaarloonkost begrepen: brutojaarloon, RSZ werkgever, sociaal secretariaat, arbeidsongevallenverzekering, arbeidsgeneeskundige dienst, eindejaarspremie, woon-werkverkeer, vakantiegeld.
JC Ten Goudberge bezorgt voor 1 oktober een raming van de jaarloonkost voor het daaropvolgende jaar.
§3. Het convenant heeft daarnaast ook als doel om in te zetten op een nauwe samenwerking tussen de gemeentelijke stafmedewerkers Jeugd en de medewerkers van JC Ten Goudberge in functie van een goede afstemming van beide organisaties op elkaar in het belang van een sterk jeugdwerk.
Artikel 2
JC Ten Goudberge werkt volgens het open jeugdwerk. Vier bouwstenen staan centraal in hun werking.
- Jongeren centraal: JC Ten Goudberge is van, voor en door jongeren. De jongeren staan aan het roer: zij krijgen een duidelijke plaats in alle beslissingsprocessen van de organisatie.
- Open ontmoeting: JC Ten Goudberge creëert kansen voor jongeren om elkaar te ontmoeten. Ze zijn breed toegankelijk en laagdrempelig. Ze zoeken ook zelf jongeren op in de publieke ruimte in de drie deelgemeenten.
- Groeien en leren: Ze zijn een experimenteerplek waar je kan leren en groeien door te doen en te ervaren. Ze bieden ruimte om te experimenteren en kennis te maken met een breed palet aan thema’s en het ontwikkelen van vaardigheden in de brede zin.
- Collectief: JC Ten Goudberge vertrekt vanuit groepen jongeren. Open jeugdwerk is groepswerk en stimuleert netwerkvorming en vriendschappen.
HOOFDSTUK 2: VOORWAARDEN TOT UITVOERING CONVENANT
Artikel 3
§1. JC Ten Goudberge voldoet en blijft voldoen aan alle algemene en bijzondere subsidievoorwaarden die in het subsidiereglement voor lokaal jeugdwerk vastgelegd zijn.
§2. JC Ten Goudberge verbindt zich om op te treden als UiTPAS-partner met toekenning van de voorziene kortingen voor mensen in armoede en kortingen te voorzien voor houders van een European Disability Card (EDC).
§3. JC Ten Goudberge zal in de externe communicatie van de werking de gemeentelijke partner visueel erkennen (logo op communicatiemateriaal, banner op evenementen, etc.).
§4.
1° JC Ten Goudberge heeft een beleidsplan #JCTG 2024-2027 opgemaakt. Het beleidsplan wordt als annex toegevoegd aan dit convenant.
2° Het geldende beleidsplan van JC Ten Goudberge vormt de leidraad voor jaarlijks ten minste drie overlegmomenten met de daartoe aangeduide ambtenaar en beleidsmedewerker Vrije Tijd, desgevallend samen met de schepen van Jeugd. Op de overlegmomenten is er ruimte voor planning, bijsturing en evaluatie. Van elk overlegmoment is er een inhoudelijk verslag. Zowel JC Ten Goudberge als de daartoe aangeduide ambtenaar kunnen initiatief nemen voor deze overlegmomenten.
3° Jaarlijks wordt er voor 15 december een planningsrapport voor het volgende kalenderjaar voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen. Voor het kalenderjaar 2026 wordt dit planningsrapport voorgelegd voor 1 mei 2026.
Jaarlijks wordt voor 1 april een evaluatierapport van het vorig kalenderjaar voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen.
4° De timing voor de 3 vaste overlegmomenten wordt als volgt vastgelegd:
§5. In het kader van de vooropgestelde evaluatiemomenten en in functie van het verlenen van een visum door de financieel directeur krijgt het gemeentebestuur inzage in de jaarrekening. Bij deze rekening wordt de nodige toelichting gegeven en desgevallend kunnen relevante verantwoordingsstukken ingekeken worden.
§6. Algemene doelstellingen vastgelegd in het meerjarenplan 2026-2031:
JC Ten Goudberge is een directe partner van gemeente Wevelgem in het nastreven van de doelstellingen vastgelegd in het meerjarenplan. De integrale doelstellingen vastgelegd in het meerjarenplan betreffen:
§7. JC Ten Goudberge stelt zich open voor een nauwe samenwerking tussen medewerkers van de gemeentelijke diensten en eigen medewerkers. Zo ook voor wat betreft de toekomstige gemeentelijk jeugdopbouwwerker. JC Ten Goudberge biedt de nodige ruimte voor het installeren van een antennepunt voor de gemeentelijk jeugdopbouwwerker die zich vooral zal focussen op de niet-georganiseerde jeugd.
§8. JC Ten Goudberge neemt een ondersteunende rol op in de verbinding en samenwerking tussen de verschillende jeugdverenigingen op de koersite.
§9. Tijdens de jaarlijkse evaluatiemomenten tussen de daartoe bevoegde ambtenaar en JC Ten Goudberge wordt een evaluatie opgemaakt met betrekking tot het meewerken aan de doelstellingen vastgelegd in het gemeentelijk meerjarenplan. Wanneer een effectieve medewerking vastgesteld wordt in het voorbije kalenderjaar, wordt de subsidie toegekend voor het lopende kalenderjaar.
HOOFDSTUK 3: UITBETALINGSMODALITEITEN SUBSIDIE
Artikel 4
§1. De subsidie wordt betaald via voorschotten.
De subsidie wordt uitbetaald door middel van vier voorschotten elk ten bedrage van ¼ van 95% van de jaarlijkse weddetoelage van het jaar x-1.
§2. Het saldo wordt uitbetaald na ontvangst van:
Deze documenten dienen ten laatste vóór 15 februari van het jaar x+1 bezorgd te worden.
HOOFDSTUK 4: SLOTBEPALINGEN
Artikel 5
Er worden geen afwijkingen toegestaan t.o.v. de andere plichtplegingen die JC Ten Goudberge moet vervullen: o.a. invullen Eaglebe, aanvragen afwijking op sluitingsuur en geluidsnorm, aanvragen materialen en betalingen van borg, … Deze gebeuren allemaal overeenkomstig de gebruikelijke procedures en tegen de gebruikelijke modaliteiten.
Artikel 6
Controle op activiteiten en werking van de organisatie kan te allen tijde uitgevoerd worden door de gemeentelijke diensten.
Het geven van onjuiste of onvolledige informatie kan leiden tot terugvordering van een deel van of de volledige subsidie.
Het convenant met vzw De Stroom wordt goedgekeurd.
De gemeente heeft sinds 2005 een samenwerkingsovereenkomst met vzw De Stroom voor de uitbouw, organisatie en ondersteuning van toegankelijke, zinvolle inclusieve vrijetijdsbesteding voor personen met een beperking. Voor de periode 2020-2025 werd een convenant afgesloten met als doel een inclusieve speelpleinwerking uit te bouwen en het opnemen van de rol als inclusiecoach (ondersteuning gemeentelijke diensten, verenigingen, ... op vlak van toegankelijkheid). Het huidige convenant loopt tot en met 31 december 2025.
Gelet op de uitrol van het BOA-decreet (buitenschoolse opvang en activiteiten) binnen onze gemeente vanaf 1 januari 2026 en dit de nodige uitdagingen en mogelijke veranderingen met zich mee zal brengen in het optimaliseren van het vakantieaanbod wordt er voorgesteld om 2026 als een overgangsjaar te beschouwen.
Concreet is het voorstel om een éénjarige convenant af te sluiten voor ondersteuning van kinderen en jongeren met een bijzondere zorgvraag binnen de speelpleinwerking en voor de verdere opdracht als inclusiecoach.
Het voorstel van éénjarige convenant voor 2026 werd opgemaakt in overleg met vzw De Stroom.
De werkingstoelage wordt aangerekend op rekening PB3-ACT5/0751-01/649990 van het exploitatiekrediet.
Hecht zijn goedkeuring aan het convenant tussen gemeente Wevelgem en vzw De Stroom als volgt:
Dit convenant wordt afgesloten tussen:
• Enerzijds gemeente Wevelgem, vertegenwoordigd door de heer Michaël Picquart, voorzitter van de gemeenteraad, en de heer Kurt Parmentier, algemeen directeur, hierna genoemd ‘het gemeentebestuur’;
• Anderzijds De Stroom vzw, met zetel te 8500 Kortrijk, Sint-Janslaan 1, vertegenwoordigd door de heer Toon Coorevits, voorzitter, en mevrouw Liesbeth Verplancke, coördinator, hierna genoemd ‘De Stroom’.
Het volgende wordt overeengekomen:
Artikel 1 - Algemeen principe
Dit convenant wordt afgesloten voor kalenderjaar 2026 (en kan niet stilzwijgend worden verlengd). Tijdens het vierde kwartaal van 2026 vindt een evaluatieoverleg plaats, georganiseerd door De Stroom. De overeenkomst is opzegbaar mits een opzegperiode van minstens 3 maanden. De overeenkomst eindigt, behoudens eerdere opzeg, van rechtswege per 31 december 2026.
Meerjarenplan – doelstellingen
De samenwerking tussen de dienst Vrije Tijd en De Stroom heeft als doel om een kwalitatief vakantie-aanbod te ondersteunen voor elk kind, ongeacht zijn/haar noden of sociaal-culturele achtergrond. Deze samenwerking sluit nauw aan bij de BOA-visie goedgekeurd door het college van burgemeester en schepenen op 28 augustus 2024. Dit resulteert in een optimalisatie van het vakantie-aanbod, met bijzondere aandacht voor jonge kinderen en een inclusieve speelpleinwerking. Daarnaast heeft deze samenwerking ook als doel om de toegankelijkheid van vrijetijdsactiviteiten te verhogen via een outreachende aanpak.
Dit convenant geeft daarmee uitvoering aan PB3-AP2 van het gemeentelijk meerjarenplan 2026-2031: De implementatie van het decreet Buitenschoolse Opvang en Activiteiten geeft ons bijkomende verantwoordelijkheden op het vlak van de lokale opvang van 2,5 tot 12 jaar, met een bijzondere focus op peuters en kleuters.
De Stroom ontvangt van het gemeentebestuur een subsidie voor:
Artikel 2 - Afstemmingsoverleg
De Stroom en de stafmedewerker Jeugd engageren zich er toe om minimaal vijf overlegmomenten in te plannen, zodoende de werkingen voldoende op elkaar af te stemmen. De BOA-coördinator of andere relevante gemeentelijke medewerkers kunnen uitgenodigd worden voor dit overleg. Binnen deze overlegstructuur wordt een jaarplanning opgemaakt met acties en doelstellingen. Deze planning zal, ter kennisgeving, worden voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 3 - Prestaties
De Stroom zet voor een totaal van 360 uur op jaarbasis de nodige medewerkers in. De medewerkers van De Stroom leveren hun prestaties in onderlinge overeenstemming met de stafmedewerker Jeugd, beleidsmedewerker Vrije Tijd, beleidsmedewerker algemeen directeur en de BOA-coördinator. Tijdens de overlegmomenten wordt besproken wanneer en welke prestaties geleverd moeten worden, waarbij het totaal aantal uur prestaties niet overschreden wordt.
1. Inclusieve speelpleinwerking Haasje-Over
2. Ondersteuning en coaching speelpleinwerking Katjeduk op afroep
3. Inclusiecoach gemeente Wevelgem
Op vraag van, of door contacten met, wordt ondersteuning geboden aan ouders van kinderen met een bijzondere zorgvraag, aan gemeentelijke diensten en aan lokale partners door middel van intervisie, expertise delen en eventueel vormingen. De inclusiecoach begeleidt organisaties in het ontwikkelen van inclusieve houding, beleid en gedrag, zodat diversiteit niet alleen aanwezig is, maar ook echt gewaardeerd en benut wordt.
Dit kan volgende taken inhouden:
Artikel 4 - Publiciteit
Het gemeentebestuur en De Stroom zullen in de externe communicatie over de acties vermeld in artikel 1 elkaar vermelden als partner door middel van logo en/of schriftelijke verwijzing. Op die manier wordt duidelijk voor de inwoners van Wevelgem dat elk kind – ongeacht zijn/haar ondersteuningsnood – terecht kan bij de speelpleinwerking.
Artikel 5 - Administratie en opvolging
Na elke schoolvakantie (met vakantiewerking) volgt een gezamenlijke evaluatie van de gemeentelijke speelpleinwerking met aandacht voor het inclusieve karakter waarin het gemeentebestuur investeert met de relevante gemeentelijke medewerkers.
Tijdens de tussentijdse evaluatiemomenten wordt ook de rol van De Stroom als inclusiecoach behandeld. Doorheen het jaar wordt onderzocht wat de toekomst wordt van deze samenwerking in afstemming met het BOA-decreet. Het werkings- en financieel verslag van kalenderjaar 2026 wordt uiterlijk op 15 februari 2027 voorgelegd aan het gemeentebestuur.
Artikel 6 - Financiële ondersteuning
De subsidie in het kader van dit convenant bedraagt voor het kalenderjaar 2026 20 000 euro.
De Stroom hanteert de subsidie voor:
Artikel 7 - Uitbetaling
De subsidie, ten bedrage van het vermelde bedrag in artikel 6, zijnde 20 000 euro, wordt ten laatste 31 maart 2026 uitbetaald.
Indien na controle van het werkings- en financieel verslag vastgesteld wordt dat de subsidie niet volledig werd aangewend ter verwezenlijking van het doel zoals opgenomen in deze overeenkomst, dient De Stroom het verschil terug te storten aan het gemeentebestuur.
Indien de overeenkomst vroegtijdig wordt beëindigd rekening houdend met de opzegperiode zoals vermeld in artikel 1, wordt het teveel betaalde bedrag teruggevorderd van De Stroom.
Hecht zijn goedkeuring aan het vernieuwde moederconvenant voor het afsluiten van convenanten voor evenementen en de werking van erfgoedverenigingen.
Evenementen worden in de gemeente zowel logistiek als financieel ondersteund. Voor een aantal grotere initiatieven is het aangewezen om te werken met een convenant waarbij de uitbetaling van de subsidie afhankelijk wordt gesteld van een aantal voorwaarden en waarbij de wederzijdse verwachtingen van het gemeentebestuur en de organisatie worden omschreven.
Deze werkwijze gebeurde al in het verleden voor evenementen en erfgoedverenigingen met een nominatieve subsidie voor een bedrag van minimaal 3 000 euro en waarmee de gemeenteraad geen afzonderlijke overeenkomst afsloot met betrekking tot de uitbetaling van deze subsidie.
Het huidige moederconvenant, goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 12 november 2021, loopt af eind 2025. In het huidige moederconvenant werd een groeipad inzake duurzaamheid, inclusie en toegankelijkheid voorzien. Gelet op het feit dat de lokale organisatoren dit groeipad ondertussen met glans hebben doorlopen en vooruitgang hebben geboekt op deze thema's bij het organiseren van een evenement, wordt ervoor gekozen om dit niet langer op te nemen in het moederconvenant.
Er werd een vernieuwd moederconvenant uitgewerkt voor de beleidsperiode 2026-2031. Er worden nog steeds de nodige inspanningen verwacht van organisatoren volgens de beleidsdoelstellingen en actieplannen opgenomen in het nieuwe meerjarenplan. Organisatoren dienen in een plan van aanpak, toegevoegd aan hun aanvraag, te omschrijven hoe ze gevolg zullen geven aan vooraf bepaalde beleidsdoelstellingen.
Er wordt voorgesteld om het vernieuwde moederconvenant goed te keuren. Vervolgens kunnen convenanten op maat van de verschillende organisatoren afgesloten worden op basis van dit vernieuwde moederconvenant.
PB2-AP1: We organiseren of ondersteunen een aantal grotere evenementen, als blikvangers binnen een ruim vrijetijdsaanbod.
PB2-ACT2: We sluiten met verenigingen convenanten af. Hiermee wil de gemeente een sterke partner zijn van organisatoren. Het toekennen van deze subsidie wordt gekoppeld aan een aantal engagementen rond de ruimere beleidsopties (waaronder duurzaamheid, inclusie en toegankelijkheid). Verenigingen kunnen hierbij rekenen op de betrokken ondersteuning door een goed opgeleide, coachende dossierbeheerder vanuit de gemeente.
Artikel 1
Aan het college van burgemeester en schepenen wordt, binnen de grenzen bedoeld in artikel 2, de bevoegdheid gedelegeerd om een convenant af te sluiten met de organisator van een evenement of met een lokale erfgoedvereniging waarvoor de gemeenteraad een nominatieve subsidie goedgekeurd heeft voor een bedrag van minimaal 3 000 euro en waarmee de gemeenteraad geen afzonderlijke overeenkomst afsluit met betrekking tot de uitbetaling van deze subsidie. De duur van het convenant beloopt maximaal de duur van het meerjarenplan, goedgekeurd in zitting van de gemeenteraad van 11 december 2025 en latere aanpassingen, zijnde de periode 2026-2031.
Artikel 2
§1. De uitbetaling van de nominatieve subsidie wordt afhankelijk gesteld van het vervullen van de opgelegde voorwaarden, meer bepaald:
1° voor evenementen:
1.1. noodzakelijke voorwaarden:
- de organisator heeft rechtspersoonlijkheid onder de vorm van een vzw met maatschappelijke zetel te Wevelgem;
- het project of de manifestatie vindt plaats op het grondgebied van de gemeente Wevelgem;
- het project of de manifestatie staat open voor de ganse Wevelgemse bevolking (al dan niet betalend) en is publieksgericht. Met het activiteitenprogramma wordt gemikt op een verscheidenheid van specifieke doelgroepen zoals kinderen, jongeren, jonge gezinnen, medioren, senioren.
1.2. af te wegen voorwaarden:
- de mate waarin de vermelding van ‘met steun van de gemeente Wevelgem’ en het gemeentelijke logo, dat ter beschikking wordt gesteld door de gemeentelijke diensten, aanwezig zijn op communicatiedragers en promotiemateriaal die uitgaan van de organisatie. De vermeldingen beantwoorden aan de richtlijnen inzake de huisstijl van de gemeente;
- de mate waarin het project of de manifestatie bijdraagt aan de uitstraling van de gemeente;
- de mate waarin het project of de manifestatie een duidelijke bijzondere socio-culturele, gemeenschapsvormende of sportieve waarde heeft;
- de mate waarin de organisator bijzondere aandacht heeft voor en voldoende inspanningen levert om mee uitvoering te geven aan vooraf bepaalde beleidsdoelstellingen en actieplannen uit het gemeentelijk meerjarenplan;
- de mate waarin het evenement financieel afhankelijk is van subsidiëring: de uitgaven voor het evenement dienen in ieder geval groter te zijn dan de voorziene jaarlijkse (nominatieve) subsidie. Kosten voor catering en dranken bestemd voor verkoop op het evenement worden hierin niet meegerekend.
2° voor lokale erfgoedverenigingen:
2.1. noodzakelijke voorwaarden:
- de erfgoedvereniging heeft rechtspersoonlijkheid onder de vorm van een vzw met maatschappelijke zetel te Wevelgem;
2.2. af te wegen voorwaarden:
- de mate waarin de vermelding van ‘met steun van de gemeente Wevelgem’ en het gemeentelijke logo, dat ter beschikking wordt gesteld door de gemeentelijke diensten, aanwezig zijn op communicatiedragers en promotiemateriaal die uitgaan van de organisatie. De vermeldingen beantwoorden aan de richtlijnen inzake de huisstijl van de gemeente. De erfgoedvereniging verwijst in of aan zijn erfgoedgebouw op een voor het publiek goed zichtbare plaats naar de steun van de gemeente;
- de mate waarin de erfgoedvereniging een permanente publiekswerking opzet in een gebouw met bijzondere erfgoedwaarde dat gelegen is op het grondgebied Wevelgem;
- de mate waarin de organisator bijzondere aandacht heeft voor en voldoende inspanningen levert om mee uitvoering te geven aan vooraf bepaalde beleidsdoelstellingen en actieplannen uit het gemeentelijk meerjarenplan.
§2. De voorwaarden vermeld onder §1. worden opgenomen in het convenant en verder gespecificeerd in het convenant.
§3. De uitbetaling van de nominatieve subsidie gebeurt in twee schijven. De uitbetaling van een eerste schijf van maximaal 75% gebeurt na een voorbespreking (jaarlijks). De uitbetaling van de eerste schijf voor een evenement gebeurt voor de datum van het evenement of aanvang van het project.
Een tweede schijf (het saldo) wordt uitbetaald hetzij na gezamenlijke evaluatie van het evenement of project, hetzij na evaluatie van de uitvoering van het convenant door de erfgoedvereniging. De erfgoedvereniging bezorgt daarvoor een jaarrapport.
§4. De nominatieve subsidie, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad, wordt uitbetaald aan de organisator of erfgoedvereniging indien alle noodzakelijke voorwaarden, vermeld in deze beslissing, vervuld zijn. De uitbetaling kan beperkt worden door het college van burgemeester en schepenen in de mate dat de af te wegen en eventueel gespecificeerde voorwaarden, opgelegd in het convenant ter uitvoering van deze beslissing, niet volledig vervuld zijn.
Het subsidiereglement jeugdlokalen wordt gewijzigd, nl. de kosten voor de opmaak van een EPC-certificaat is ook subsidiabel.
De gemeente subsidieert al jaren de jeugdinfrastructuur via het subsidiereglement jeugdlokalen (beslissing van de gemeenteraad van 13 mei 2022).
Vanaf 1 januari 2026 moet elk jeugdgebouw beschikken over een EPC NR (niet-residentieel), met uitzondering van de jeugdgebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 500 m². Deze laatste moeten beschikken over een EPCK kNR (klein niet-residentieel) vanaf 1 januari 2030.
De jeugdlokalen in beheer van de gemeente voldoen ondertussen reeds aan vermelde verplichting. Voor jeugdlokalen die onder beheer van de jeugdverenigingen zelf vallen, dient dit nog in orde gebracht te worden.
In concreto moeten nog 7 jeugdverenigingen een EPC NR op laten maken (KSA De Vlasbloem, Chirojongens- en meisjes Wevelgem, JC Ten Goudberge, KSA Arbeid Adelt, Chiro Okido, Jeugdhuis Den Bascuul), terwijl 3 jeugdverenigingen kunnen kiezen voor een EPC kNR (Burleske, Scouts (in principe niet meer van toepassing door verhuis) en KSA De Meiskes).
Er wordt voorgesteld om de subsidiabele uitgaven van het subsidiereglement jeugdlokalen uit te breiden met de uitgave voor de opmaak van EPC-certificaten. Dit vraagt een aanpassing van artikel 1 en artikel 7 van het vigerende subsidiereglement.
Dit voorstel werd voorgelegd aan de jeugdraad van 2 december 2025. De jeugdraad adviseerde gunstig.
PB3-ACT9: We investeren verder in jeugdinfrastructuur. Via subsidiëring waar het kan, via eigen initiatief.
De uitgave wordt aangerekend op rekening PB3-ACT9/0750-00/664990 van het exploitatiekrediet.
Artikel 1
Het subsidiereglement jeugdlokalen, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 13 mei 2022, wordt gewijzigd als volgt:
Artikel 1
Aan artikel 1 van het subsidiereglement jeugdlokalen wordt een laatste bullet toegevoegd als volgt:
• De kosten voor de opmaak van een geldig EPC certificaat.
Artikel 2
Aan artikel 7, §2 van het subsidiereglement jeugdlokalen wordt een 8° toegevoegd als volgt:
8° in geval van de opmaak van een EPC-certificaat dient het certificaat te voldoen aan de op dat moment geldende eisen.
Artikel 2
§1. Deze beslissing treedt in werking per 15 december 2025.
§2. Het college van burgemeester en schepenen wordt belast met de coördinatie van deze beslissing.
Het subsidiereglement kinderopvanginitiatieven wordt vastgesteld.
Wevelgem hechtte reeds altijd een groot belang aan het jonge gezin. Kinderopvang maakt hier onlosmakelijk deel van uit. De gemeente hecht dan ook een groot belang aan het uitwerken van een duurzaam, kwaliteitsvol en uitgebreid aanbod buitenschoolse opvang. In dit kader ondersteunt Wevelgem reeds jaren de Wevelgemse kinderopvanginitiatieven.
In overleg met het Lokaal Overleg Kinderopvang (LOK) wordt voorgesteld om het bestaande subsidiereglement te actualiseren. Het ondersteunen van de bestaande initiatieven via een jaarlijkse subsidie wordt gecontinueerd, maar er wordt voorgesteld om te kijken naar het aantal toegekende opvangplaatsen. Op deze manier worden de beschikbare middelen zo goed mogelijk verdeeld op basis van het aantal opgevangen kinderen en de hiermee samenhangende kosten. Gezien de blijvende nood aan extra opvangplaatsen, krijgen startende initiatieven verder extra ondersteuning, zodat geïnvesteerd kan worden in voldoende duurzaam materiaal. Ook wordt extra engagement, betrokkenheid en constructief en gedragen partnerschap binnen het LOK beloond.
Het basissubsidiebedrag wordt ook geïndexeerd om een antwoord te bieden op prijsevoluties in de kosten van de kinderopvanginitiatieven.
Het voorstel van subsidiereglement werd besproken en positief geadviseerd op het LOK van 13 oktober 2025.
De subsidies voor kinderopvanginitiatieven worden aangerekend op rekening PB3-ACT2/0945-00/649718 van het exploitatiekrediet.
Het totaal jaarlijkse subsidiebedrag wordt geraamd op 12 000 euro.
Artikel 1
Het subsidiereglement kinderopvanginitiatieven wordt vastgesteld als volgt:
Artikel 1 - Doel
De gemeente wil investeren in kwaliteitsvolle en duurzame voorschoolse kinderopvanginitiatieven (0-3 jaar) die ook bijdragen aan de doelstellingen van het Lokaal Overleg Kinderopvang (LOK).
Artikel 2 - Voorwaarden
§1. De kinderopvanginitiatieven moeten aan volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:
§2. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen moet het kinderopvanginitiatief zich engageren binnen het LOK door een actieve rol te spelen binnen en zo bij te dragen aan de doelstellingen van het LOK. Daartoe
Nieuwe en uitbreidende initiatieven lichten het lokaal bestuur voorafgaandelijk en tijdig in rond hun plannen.
Artikel 3- Subsidie
§1. Het subsidiebedrag wordt berekend op basis van het aantal werkelijk opgevangen kinderen. Het maximale subsidiebedrag bedraagt 25 euro per kind, met een minimum van 200 euro per locatie. Voor dit maximale subsidiebedrag moeten kinderopvanginitiatieven minstens 11/15 punten behalen, bekomen volgens onderstaande elementen die worden afgetoetst volgens een checklist vastgesteld door het college van burgemeester en schepenen. Bij een score tussen 6/15 en 10/15 bedraagt de subsidie slechts 50% van voornoemd maximale subsidiebedrag met een minimum van 100 euro per locatie.
De voormelde subsidiebedragen worden jaarlijks geïndexeerd en dit voor het eerst in 2027 op basis van de consumptieprijsindex volgens de hierna vermelde formule:
Geïndexeerde subsidie kalenderjaar x = basissubsidie * (nieuwe index/basisindex).
Hierbij is de 'basisindex' de consumptieprijsindex van december 2025. De 'nieuwe index' is de consumptieprijsindex van december van het jaar x-1 als de subsidie voor het jaar x wordt berekend.
§2. Startende kinderopvanginitiatieven krijgen eenmalig een starterspremie van 500 euro in het jaar waarin ze begonnen zijn. Deze starterspremie kan gecumuleerd worden met de subsidie zoals bedoeld in §1 en wordt geïndexeerd volgens de formule uit §1.
§3. De checklist zoals bedoeld in §1 bevat volgende onderdelen met desgevallend bijhorende puntentoekenning en vermelding van gevraagd stavingsstuk:
Artikel 4 - Aanvraag
Kinderopvanginitiatieven dienen, samen met bedoelde ingevulde checklist jaarlijks hun eventuele stavingsstukken overmaken via kinderopvang@wevelgem.be en dit ten laatste op 31 oktober van het subsidiejaar.
Artikel 5
De aanvrager verbindt zich ertoe elke wijziging, die een invloed zou hebben op de toekenning van de gemeentelijke subsidie, onmiddellijk bekend te maken aan het college van burgemeester en schepenen. Onrechtmatig toegekende subsidies worden teruggevorderd.
Artikel 2
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en heft het subsidiereglement houdende de financiële ondersteuning van kinderopvanginitiatieven zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 14 september 2023 op.
De lijst van nominatieve subsidies voor 2026 wordt goedgekeurd.
Volgens de BBC-regels behoort het overzicht van de toegestane werkings- en investeringssubsidies tot de documentatie bij het meerjarenplan. Deze lijst is raadpleegbaar via www.wevelgem.be/meerjarenplan2026-2031.
Overeenkomstig artikel 41, 2de lid, 23° van het decreet lokaal bestuur is het vaststellen van subsidiereglementen en het toekennen van nominatieve subsidies een (niet-delegeerbare) bevoegdheid van de gemeenteraad.
Keurt de lijst met nominatieve subsidies voor 2026 goed als volgt:
| BI | AR | Omschrijving | Bedrag 2026 | ||
| 112 | Personeelsdienst en vorming | ||||
| 649700 | Toelage vereniging voor gepensioneerde gemeentepersoneelsleden | 750,00 | |||
| 160 | Hulp aan het buitenland | ||||
| 649700 | Toelage Wereldwinkel | 4 170,00 | |||
| 649700 | Toelage 11.11.11 | 2 500,00 | |||
| 649700 | Toelage Coop-Uganda | 15 000,00 |
|||
| 350 | Klimaat en energie | ||||
| 649700 | Toelage fietsbieb Gullegem | 2 550,00 | |||
| 420 | Dienst 100 | ||||
| 649700 | Toelage Instituut Medische Dringende Hulpverlening | 1 000,00 | |||
| 500 | Handel en middenstand | ||||
| 649700 | Toelage Tuinhier : jeugdprijskamp Bloemenmarkt | 175,00 | |||
| 649700 | Toelage Bleie | 1 000,00 | |||
| 649700 | Toelage GUMO | 1 000,00 | |||
| 530 | Land- en Bosbouw | ||||
| 649700 | Toelage Agrarische Bedrijfshulp vzw | 300,00 | |||
| 700 | Musea | ||||
| Toelage vzw Flanders Aviation Society | 3 700,00 | ||||
| 709 | Overige culturele instellingen | ||||
| 649700 | Vlaamse Oudstrijders Lode De Boninge Wevelgem | 250,00 | |||
| 719 | Overige evenementen | ||||
| 649700 | Toelage vzw Hofconcerten | 86 000,00 | |||
| 649700 | Toelage Vzw Gemeentelijke carnavalsorde Gullegem, Orde van de Vlaskapelle | 45 000,00 | |||
| 649700 | Toelage vzw Klein Tokyo | 30 000,00 | |||
| 649700 | Toelage Moorsele Events vzw (winter) | 11 000,00 | |||
| 649700 | Toelage Wijkfeest Ter Walle | 6 000,00 | |||
| 649700 | Toelage Fly-in | 4 100,00 | |||
| 649700 | Toelage vzw Sport- en feestcomité De Barakken (Wijkfeesten Barakken) | 3 000,00 | |||
| 649700 | Toelage Kerstmarkt 't Pleintje | 3 000,00 | |||
| 649700 | Toelage Gullegem Metal Fest (GMF) | 1 500,00 | |||
| 649700 | Toelage Landelijke Gilde Moorsele | 1 500,00 | |||
| 649700 | Toelage De Stekselorde | 1 600,00 | |||
| 649700 | Toelage Tuinhier Gullegem (voor keuring) | 360,00 | |||
| 649700 | Toelage Tuinhier Wevelgem (voor keuring) | 360,00 | |||
| 649700 | Toelage Tuinhier Moorsele (voor keuring) | 360,00 | |||
| 649700 | Toelage Tuinhier Gullegem, Wevelgem, Moorsele (kadobon) | 4 200,00 | |||
| 740 | Sport | ||||
| 649700 | Toelage Leiemarathon vzw | 4 100,00 | |||
| 649700 | Toelage TTC Jong Gullegem | 1 080,00 | |||
| 649700 | Toelage Gullegemse Duivenmaatschappij | 300,00 | |||
| 649700 | Toelage De Vlaamse zangers Moorsele | 300,00 | |||
| 649700 | Toelage De Vlasvink Wevelgem | 300,00 | |||
| 649700 | Toelage Vogelclub De Leeuwerik Gullegem | 300,00 | |||
| 649700 | Toelage De Kom zangers Wevelgem | 300,00 | |||
| 649700 | Toelage De Brave Hond | 300,00 | |||
| 649700 | WTC De Bondtrappers (mountainbiketochten) | 300,00 | |||
| 649700 | KWB Moorsele (mountainbiketocht) | 150,00 | |||
| 820-01 | Deeltijds kunstonderwijs – muziekschool | ||||
| 649700 | Toelage Akoestiek vzw | 1 240,00 | |||
| 943 | Gezinshulp | ||||
| 649700 | Toelage Teledienst vzw | 350,00 | |||
| 944 | Preventieve gezinsondersteuning | ||||
| 649700 | Toelage huizenvanhetkind.wvl Rebelle vzw | 300 | |||
| 985 | Gezondheidspromotie en ziektepreventie | ||||
| 649700 | Toelage Werkgroep Kom op tegen kanker Wevelgem | 500,00 | |||
| 649700 | Toelage Werkgroep Kom op tegen kanker Gullegem | 300,00 | |||
| 649700 | Toelage Werkgroep Kom op tegen kanker Moorsele | 300,00 | |||
De subsidieovereenkomst met vzw Mokio voor de organisatie van buitenschoolse opvang en activiteiten in 2026 wordt goedgekeurd.
Het Vlaams decreet houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten (BOA-decreet) geeft het lokaal bestuur de regierol om samen met alle lokale spelers een geïntegreerd, kwalitatief en toegankelijk aanbod aan buitenschoolse opvang en activiteiten voor kinderen van 2,5 tot 12 jaar te ontwikkelen. Met de goedkeuring van het lokaal erkenningskader, in zitting van de gemeenteraad van 13 november 2025, beschikt de gemeente Wevelgem over een instrument om lokale initiatieven te erkennen en – waar nodig – financieel te ondersteunen.
Vzw Mokio is één van de erkende partners binnen dit kader voor het kalenderjaar 2026 (cfr. beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 26 november 2025) en organiseert een uitgebreid aanbod aan voor- en naschoolse opvang en vakantiewerking voor schoolgaande kinderen in onze gemeente. Om deze werking in 2026 te garanderen en de continuïteit van het bestaande aanbod te vrijwaren, wordt voorgesteld om vzw Mokio te financieren, in uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 9 juli 2021 over het lokaal beleid, de samenwerking en de subsidie voor buitenschoolse opvang en activiteiten en in dit verband een subsidieovereenkomst af te sluiten.
De subsidieovereenkomst bepaalt de voorwaarden, engagementen en controlemechanismen die verbonden zijn aan de toekenning van de subsidie. Ze vertrekt van de huidige werking van vzw Mokio en legt de minimale dienstverlening vast die met de subsidie moet worden gegarandeerd. Daarnaast omvat de overeenkomst bepalingen rond transparante financiële rapportering, opvolging en evaluatie, en mogelijke terugvordering bij niet-naleving.
De voorgestelde subsidie voor het jaar 2026 bedraagt 302 094,62 euro, uitbetaald in twaalf gelijke maandelijkse schijven, telkens mits naleving van de voorwaarden uit de subsidieovereenkomst en mits visum van de financieel directeur.
Met deze subsidieovereenkomst ondersteunt de gemeente een kwalitatief, bereikbaar en betaalbaar aanbod aan buitenschoolse opvang en activiteiten in Wevelgem, in lijn met de lokale BOA-visie en de doelstellingen van het BOA-decreet.
De subsidie wordt aangerekend op rekening PB3-ACT3/0759-00/649700 van het exploitatiekrediet.
Keurt de subsidieovereenkomst betreffende de toekenning van een subsidie aan vzw Mokio voor de organisatie van buitenschoolse opvang en activiteiten in 2026 goed als volgt:
Tussen de ondergetekenden,
1. gemeente Wevelgem, vertegenwoordigd door de heer Michaël Picquart, voorzitter van de gemeenteraad, en de heer Kurt Parmentier, algemeen directeur,
en
2. vzw Mokio, vertegenwoordigd door ***;
is overeengekomen wat volgt:
Artikel 1 – Doel
Het decreet houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten (BOA) beoogt een geïntegreerde, inclusieve en lokaal verankerde aanpak van buitenschoolse opvang en activiteiten voor kinderen tussen 2,5 en 12 jaar. Gemeenten spelen hierin een regierol en kunnen middelen toekennen aan erkende lokale partners.
Deze subsidieovereenkomst heeft tot doel de voorwaarden te bepalen voor de toekenning van een subsidie aan vzw Mokio, ter ondersteuning van de organisatie van voor- en naschoolse opvang en vakantieaanbod voor kinderen in Wevelgem tijdens het kalenderjaar 2026.
Artikel 2 – Begunstigde
De subsidie wordt toegekend aan vzw Mokio, met maatschappelijke zetel te Warandestraat 120, 8560 Wevelgem, ondernemingsnummer 0456.098.750.
Artikel 3 – Bedrag
De subsidie bedraagt 302 094,62 euro en wordt uitbetaald in twaalf gelijke maandelijkse schijven van 25 174,55 euro, gedurende het kalenderjaar 2026.
Elke betaling gebeurt maandelijks, mits naleving van de voorwaarden vermeld in deze overeenkomst en mits visum van de financieel directeur.
Artikel 4 – Voorwaarden voor toekenning
Om in aanmerking te komen voor en te blijven genieten van de subsidie, moet vzw Mokio voldoen aan de volgende voorwaarden:
• Erkenning binnen het lokaal erkenningskader BOA van de gemeente Wevelgem.
• Het aanbod richt zich in eerste instantie tot kinderen van inwoners van Wevelgem en, bij uitbreiding, tot kinderen uit omliggende gemeenten.
• De organisatie garandeert:
• De toelage wordt prioritair aangewend voor:
• De organisatie engageert zich tot transparante rapportering, waaronder:
• De toegekende subsidie is gebaseerd op de continuïteit van de huidige werking zoals deze door vzw Mokio is georganiseerd in 2025, inclusief een gelijkaardige capaciteit en bereik van het aantal opgevangen kinderen. Vzw Mokio verbindt zich ertoe om een opvang- en activiteitenaanbod te garanderen dat in verhouding staat tot het bedrag van de subsidie - rekening houdende met de beschikbare personeelscapaciteit - en dat in die zin in verhouding staat met het niveau van dienstverlening van het kalenderjaar 2025. Indien de effectieve werking significant afwijkt van het normale capaciteit- en activiteitenpatroon, behoudt het gemeentebestuur zich het recht voor om de subsidie proportioneel te herzien of gedeeltelijk terug te vorderen.
Artikel 5 – Evaluatie en opvolging
Vzw Mokio engageert zich tot een maandelijks evaluatiemoment met het gemeentebestuur. De verslagen van deze evaluaties worden schriftelijk vastgelegd en kunnen worden gebruikt bij de eindevaluatie in december 2026.
Artikel 6 – Controle en terugvordering
§1. Het college van burgemeester en schepenen ziet toe op de correcte naleving van de bepalingen van deze overeenkomst en het lokaal erkenningskader.
§2. Indien tijdens de opvolging blijkt dat de werking of rapportering niet volledig overeenstemt met de vooropgestelde voorwaarden of doelstellingen, kan het gemeentebestuur:
§3. Indien vzw Mokio haar activiteiten geheel stopzet of de vzw wordt ontbonden, worden de betalingen onmiddellijk stopgezet. Niet-gerechtvaardigde of niet-bestede bedragen worden teruggestort aan de gemeente.
Artikel 7 – Duur
Deze subsidieovereenkomst geldt voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026.
De afsprakennota met het centraal kerkbestuur wordt goedgekeurd.
Na overleg met het centraal kerkbestuur van 9 april 2025 en 13 mei 2025 werd een afsprakennota voorbereid om duidelijke afspraken vast te leggen over de samenwerking tussen de gemeente en de kerkfabrieken. De gemaakte afspraken zijn bepalend voor de relaties tussen de kerkfabrieken en de gemeente, het afsluiten van een afsprakennota zorgt voor transparantie en vermijdt misverstanden.
Die afspraken zijn bindend voor het centraal kerkbestuur, het gemeentebestuur en de betrokken kerkfabrieken. Met de bepalingen in deze afsprakennota werd impliciet al rekening gehouden voor de opmaak van de meerjarenplannen door de verschillende kerkfabrieken.
Keurt de afsprakennota tussen het centraal kerkbestuur en de gemeente, in bijlage, goed.
Het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Sint-Hilarius wordt goedgekeurd.
De kerkraad van de kerkfabriek Sint-Hilarius keurde in zitting van 13 november 2025 het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Sint-Hilarius goed. Het meerjarenplan werd gecoördineerd ingediend bij de gemeente door het centraal kerkbestuur op 24 november 2025. Het bisdom Brugge verleende gunstig advies aan het meerjarenplan 2026-2031 op 27 november 2025.
Het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Sint-Hilarius wordt goedgekeurd met onderstaande geraamde bijdragen (afgerond) in het tekort van de kerkfabriek:
Exploitatietoelage:
| 2026 | € 75 372 |
| 2027 | € 131 730 |
| 2028 | € 132 189 |
| 2029 | € 131 588 |
| 2030 | € 129 379 |
| 2031 | € 124 736 |
Investeringstoelage:
| 2026 | € 15 000 |
Er wordt akte genomen van het budget 2026 van de kerkfabriek Sint-Hilarius.
De kerkraad van de kerkfabriek Sint-Hilarius keurde het budget 2026 goed op 13 november 2025. De bisschop van het bisdom Brugge verleende gunstig advies aan dit budget op 27 november 2025. Dit budget werd gecoördineerd ingediend door het centraal kerkbestuur waaronder de kerkfabriek ressorteert op 28 november 2025.
| Exploitatie ontvangsten | 33 150,00 euro |
| Exploitatie-uitgaven | -164 385,00 euro |
| Exploitatie eigen financieel boekjaar | -131 235,00 euro |
| Overschot exploitatie 2024 | 55 863,16 euro |
| Exploitatie voor toelage | -75 371,84 euro |
| Exploitatietoelage | 75 371,84 euro |
| Investeringsontvangsten | 503 105,00 euro |
| Investeringsuitgaven | -503 105,00 euro |
| Investeringstoelage | 15 000,00 euro |
De gemeentelijke bijdrage in het exploitatietekort bedraagt 75 371,84 euro. De investeringstoelage bedraagt 15 000 euro. Dit blijft binnen de grenzen van het goedgekeurde meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek, dat voorligt op de gemeenteraad van heden.
Er wordt akte genomen van het budget 2026 van de kerkfabriek Sint-Hilarius dat past in het goedgekeurde meerjarenplan 2026-2031, waarbij de exploitatietoelage 75 371,84 euro bedraagt en de investeringstoelage 15 000 euro.
Het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Onbevlekt Hart van Maria wordt goedgekeurd.
De kerkraad van de kerkfabriek Onbevlekt Hart van Maria keurde in zitting van 24 maart 2025 het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Onbevlekt Hart van Maria goed. Het meerjarenplan werd gecoördineerd ingediend bij de gemeente door het centraal kerkbestuur op 24 november 2025. Het bisdom Brugge verleende gunstig advies aan het meerjarenplan 2026-2031 op 27 november 2025.
Het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Onbevlekt Hart van Maria wordt goedgekeurd met onderstaande geraamde bijdragen (afgerond) in het tekort van de kerkfabriek:
Exploitatietoelage:
| 2026 | € 26 896 |
| 2027 | € 37 633 |
| 2028 | € 37 683 |
| 2029 | € 37 683 |
| 2030 | € 37 733 |
| 2031 | € 37 733 |
Investeringstoelage:
| 2026 | € 20 000 |
Er wordt akte genomen van het budget 2026 van de kerkfabriek Onbevlekt Hart van Maria.
De kerkraad van de kerkfabriek Onbevlekt Hart van Maria keurde het budget 2026 goed op 24 maart 2025. De bisschop van het bisdom Brugge verleende gunstig advies aan dit budget op 27 november 2025. Dit budget werd gecoördineerd ingediend door het centraal kerkbestuur waaronder de kerkfabriek ressorteert op 28 november 2025.
| Exploitatie ontvangsten | 3 300,00 euro |
| Exploitatie-uitgaven | -40 131,66 euro |
| Exploitatie eigen financieel boekjaar | -36 831,66 euro |
| Overschot exploitatie 2024 | 9 936,45 euro |
| Exploitatie voor toelage | -26 895,21 euro |
| Exploitatietoelage | 26 895,21 euro |
| Investeringsontvangsten | 20 000,00 euro |
| Investeringsuitgaven | -20 000,00 euro |
| Investeringstoelage | 20 000,00 euro |
De gemeentelijke bijdrage in het exploitatietekort bedraagt 26 895,21 euro. De investeringstoelage bedraagt 20 000 euro. Dit blijft binnen de grenzen van het goedgekeurde meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek, dat voorligt op de gemeenteraad van heden.
Er wordt akte genomen van het budget 2026 van de kerkfabriek Onbevlekt Hart van Maria dat past in het goedgekeurde meerjarenplan 2026-2031, waarbij de exploitatietoelage 26 895,21 euro bedraagt en de investeringstoelage 20 000 euro.
Het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Sint-Amandus wordt goedgekeurd.
De kerkraad van de kerkfabriek Sint-Amandus keurde in zitting van 3 oktober 2025 het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Sint-Amandus goed. Het meerjarenplan werd gecoördineerd ingediend door het centraal kerkbestuur op 24 november 2025. Het bisdom Brugge verleende gunstig advies aan het meerjarenplan 2026-2031 op 27 november 2025.
Het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Sint-Amandus wordt goedgekeurd met onderstaande geraamde bijdragen (afgerond) in het tekort van de kerkfabriek:
Exploitatietoelage:
| 2026 | € 40 469 |
| 2027 | € 50 288 |
| 2028 | € 50 829 |
| 2029 | € 51 380 |
| 2030 | € 51 943 |
| 2031 | € 52 517 |
Investeringstoelage:
| 2026 | € 180 000 |
| 2027 | € 20 000 |
| 2028 | € 8 024 |
Er wordt akte genomen van het budget 2026 van de kerkfabriek Sint-Amandus.
De kerkraad van de kerkfabriek Sint-Amandus keurde het budget 2026 goed op 3 oktober 2025. De bisschop van het bisdom Brugge verleende gunstig advies aan dit budget op 27 november 2025. Dit budget werd gecoördineerd ingediend door het centraal kerkbestuur waaronder de kerkfabriek ressorteert op 28 november 2025.
| Exploitatie ontvangsten | 45 620,00 euro |
| Exploitatie-uitgaven | -95 377,24 euro |
| Exploitatie eigen financieel boekjaar | -49 757,24 euro |
| Overschot exploitatie 2024 | 9 288,53 euro |
| Exploitatie voor toelage | -40 468,71 euro |
| Exploitatietoelage | 40 468,71 euro |
| Investeringsontvangsten | 180 000,00 euro |
| Investeringsuitgaven | -180 000,00 euro |
| Investeringstoelage | 180 000,00 euro |
De gemeentelijke bijdrage in het exploitatietekort bedraagt 40 468,71 euro. De investeringstoelage bedraagt 180 000 euro. Dit blijft binnen de grenzen van het goedgekeurde meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek, dat voorligt op de gemeenteraad van heden.
Er wordt akte genomen van het budget 2026 van de kerkfabriek Sint-Amandus dat past in het goedgekeurde meerjarenplan 2026-2031, waarbij de exploitatietoelage 40 468,71 euro bedraagt en de investeringstoelage 180 000 euro.
Het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Sint-Martinus en Sint-Christoffel wordt goedgekeurd.
De kerkraad van de kerkfabriek Sint-Martinus en Sint-Christoffel keurde in zitting van 26 mei 2025 het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Sint-Martinus en Sint-Christoffel goed. Het meerjarenplan werd gecoördineerd ingediend bij de gemeente door het centraal kerkbestuur op 24 november 2025. Het bisdom Brugge verleende gunstig advies aan het meerjarenplan 2026-2031 op 27 november 2025.
Het meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek Sint-Martinus en Sint-Christoffel wordt goedgekeurd met onderstaande geraamde bijdragen afgerond in het tekort van de kerkfabriek:
Exploitatietoelage:
| 2026 | € 111 951 |
| 2027 | € 121 727 |
| 2028 | € 122 086 |
| 2029 | € 122 097 |
| 2030 | € 122 193 |
| 2031 | € 122 287 |
Investeringstoelage:
| 2026 | € 17 000 |
| 2027 | € 70 000 |
Er wordt akte genomen van het budget 2026 van de kerkfabriek Sint-Martinus en Sint-Christoffel.
De kerkraad van de kerkfabriek Sint-Martinus en Sint-Christoffel keurde het budget 2026 goed op 26 mei 2025. De bisschop van het bisdom Brugge verleende gunstig advies aan dit budget op 27 november 2025. Dit budget werd gecoördineerd ingediend door het centraal kerkbestuur waaronder de kerkfabriek ressorteert op 28 november 2025.
| Exploitatie ontvangsten | 8 577,00 euro |
| Exploitatie-uitgaven | -126 910,00 euro |
| Exploitatie eigen financieel boekjaar | -118 333,00 euro |
| Overschot exploitatie 2024 | 6 382,07 euro |
| Exploitatie voor toelage | -111 950,93 euro |
| Exploitatietoelage | 111 950,93 euro |
| Investeringsontvangsten | 17 000,00 euro |
| Investeringsuitgaven | -17 000,00 euro |
| Investeringstoelage | 17 000,00 euro |
De gemeentelijke bijdrage in het exploitatietekort bedraagt 111 950,93 euro. De investeringstoelage bedraagt 17 000 euro. Dit blijft binnen de grenzen van het goedgekeurde meerjarenplan 2026-2031 van de kerkfabriek, dat voorligt op de gemeenteraad van heden.
Er wordt akte genomen van het budget 2026 van de kerkfabriek Sint-Martinus en Sint-Christoffel dat past in het goedgekeurde meerjarenplan 2026-2031, waarbij de exploitatietoelage 111 950,93 euro bedraagt en de investeringstoelage 17 000 euro.
Het mandaat van de vertegenwoordiger wordt vastgesteld.
De gemeente is lid van de opdrachthoudende vereniging MIROM Menen (Mirom).
De gemeente werd uitgenodigd per aangetekend schrijven van 7 november 2025 om deel te nemen aan de zitting van de algemene vergadering van Mirom van 22 december 2025.
Mocht de algemene vergadering uitgesteld of verdaagd worden, dan geldt het mandaat voor dezelfde agendapunten ook als deze op een latere datum worden behandeld.
Artikel 1
Er wordt goedkeuring verleend aan onderstaande punten, geagendeerd voor de algemene vergadering van Mirom van 22 december 2025 (of iedere andere datum waarop deze uitgesteld of verdaagd zou worden):
1. Ondernemingsplan 2026-2031
2. Te ontwikkelen activiteiten en de te volgen strategie van het boekjaar 2026
3. Begroting 2026
4. Varia.
Artikel 2
De vertegenwoordiger van de gemeente zal zijn stemgedrag afstemmen op deze beslissing.
Zoals decretaal voorzien, wordt er reeds voor zowel de gemeente als het OCMW een systeem van formele klachtenbehandeling op het ambtelijke niveau georganiseerd (cfr. beslissingen van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn van 14 juni 2019).
Hierbij wordt voldaan aan de eis van de decreetgever om de klachtenbehandeling maximaal onafhankelijk te organiseren van de diensten waarop de klachten betrekking hebben.
Zowel de gemeente als het OCMW beschikken overeenkomstig artikel 303, §2 van het decreet lokaal bestuur ook over de mogelijkheid om een ombudsdienst op te richten.
Dit kan op vier wijzen gebeuren:
De werking met een ombudsdienst kan drempelverlagend werken naar burgers, die na eerstelijnsklachtenbehandeling door gemeente of OCMW met een blijvend ongenoegen, vraag, bemerking of klacht zitten over de werking. De samenwerking met de Vlaamse Ombudsdienst kan zo bijdragen tot de onafhankelijke, deskundige toetsing van klachten van burgers.
De optie om te werken via de Vlaamse Ombudsdienst lijkt het meest aangewezen om meerdere redenen:
De eigen lokale klachtenbehandeling wordt maximaal onafhankelijk van de diensten waarop de klachten betrekking hebben, georganiseerd, zij het nog steeds op ambtelijk niveau binnen het lokaal bestuur. Een samenwerking met de Vlaamse Ombudsdienst biedt kansen om klachten door een onafhankelijke derde partij te laten bekijken.
De Vlaamse Ombudsdienst heeft medewerkers in dienst die gespecialiseerd zijn in klachtenbehandeling voor heel specifieke niches (bijvoorbeeld een deskundige die zich specifiek richt op de behandeling van heel technische klachten inzake omgevingsvergunningen). Gezien het veelzijdig aspect van de werking van de verschillende diensten van gemeente en OCMW kan eenzelfde technische expertise niet verwacht worden van de interne klachtenbehandelaars. Als gevolg daarvan moet vaak gesteund worden op de expertise van de diensten zelf, waardoor het aspect onafhankelijke klachtenbehandeling in principe in het gedrang zou kunnen komen.
De Vlaamse Ombudsdienst geeft in hun 'Lokaal bemiddelingsboek 2024' aan dat 25 lokale besturen hun burgers de kans boden in 2024 om zich tot de Lokale Kamer van de Vlaamse Ombudsdienst te wenden bij ongenoegen over de werking of handelingen van hun lokaal bestuur. Daarnaast werkt de Vlaamse Ombudsdienst zeer nauw samen met vijf grote lokale besturen (Antwerpen, Gent, Brugge, Sint-Niklaas en Oostende) die een eigen lokale ombudsdienst oprichtten. De Vlaamse Ombudsdienst geeft aan dat, ondanks de specificiteit van het lokaal bestuur en de eigen lokale dossiers, er voldoende generieke lessen te trekken zijn uit de manier waarop ook collega's uit andere lokale besturen met ongenoegen omgaan.
De samenwerking met de Vlaamse Ombudsdienst komt niet in de plaats van de eerstelijnsklachtenbehandeling, maar is een onafhankelijke aanvulling daarop.
Aansluiting bij de Vlaamse Ombudsdienst vormt zo een versterking en ondersteuning van de eigen lokale klachtenbehandeling door de burger kans te bieden zijn klacht bij een onafhankelijke, externe instantie aan te kaarten.
Ombudswerking doet geen afbreuk aan de autonomie van het lokaal bestuur. De Vlaamse Ombudsdienst onderzoekt, bemiddelt en beveelt aan. Deze aanbevelingen zijn echter niet dwingend, ook al worden ze beschouwd als meer dan een vrijblijvend advies. Op dit vlak verschilt de ombudswerking dus van de werking van een toezichthoudende overheid, die soms ook een rol speelt in de omgang met ongenoegen over het handelen van lokale besturen, maar waarbij de toezichthoudende overheid besluiten kan vernietigen als deze strijdig zijn met het algemeen belang of het recht.
Bij de klachtenbehandeling vanuit de Vlaamse Ombudsdienst ligt de klemtoon op bemiddeling. Doel is voornamelijk om standpunten te verzoenen.
De Vlaamse Ombudsdienst benadrukt hierbij een partner te willen zijn van het lokaal bestuur en ziet de samenwerking vooral als een vlotte en aanvullende wisselwerking met het lokaal bestuur. Zij benadrukken hierbij ook dat ze voor zichzelf een bemiddelende rol zien weggelegd, die evenwel niet inhoudt om het bestuur met de vinger te wijzen.
Aangesloten besturen betalen tot op heden een forfaitaire prijs van 5 eurocent per inwoner per jaar (btw is niet verschuldigd). In deze prijs zit eveneens de samenwerking tussen de Vlaamse Ombudsdienst en het OCMW vervat. Het tarief staat los van het aantal behandelde klachten of de daaraan gespendeerde tijd. Ongeacht of de Vlaamse Ombudsdienst veel of weinig tijd heeft moeten besteden aan dossiers wordt hetzelfde bedrag aangerekend. Voor burgers die een vraag stellen aan de Vlaamse Ombudsdienst, is de dienstverlening gratis. Er kan per maand worden ingestapt. Het forfaitaire jaarbedrag wordt dan verrekend naar het aantal maanden van aansluiting.
Dit lijkt een heel redelijke prijs voor samenwerking, gezien de meerwaarde voor zowel de burger als de eigen werking.
Opmerking: de Vlaamse Ombudsdienst deelde mee dat er op 8 december 2025 waarschijnlijk een beslissing genomen zal worden over de te betalen forfaitaire prijs per inwoner.
Er wordt verwacht dat deze prijs opgetrokken zal worden tot 10 eurocent per inwoner per jaar, waardoor de kost op jaarbasis voor lokaal bestuur Wevelgem (afgerond) 3 200 euro zou bedragen (in de plaats van de huidige prijs van 1 600 euro per jaar).
In lijn met voorgaande bemerking wordt ingeschat dat burgers in bepaalde dossiers soms een standpuntinname van een externe instantie meer zullen accepteren, dan wanneer een gemeentelijke dienst of interne klachtenbehandelaar zich uitspreken over een klacht. Er wordt nu soms vastgesteld dat burgers blijvend aanklampend trachten hun punt te maken, zelfs wanneer een bepaalde bemerking, ongenoegen of klacht zowel in eerste instantie door de eigen dienst of diensthoofd als vervolgens door de interne klachtenbehandelaar behandeld werd.
Samenwerking met de Vlaamse Ombudsdienst kan verlopen ofwel via een eigen lokale ombudsdienst (cfr. bovenvermelde grote besturen met eigen ombudsdienst) ofwel via de eigen klachtenbehandelaars. De Vlaamse Ombudsdienst legt daarbij wel een aantal voorwaarden op voor samenwerking.
Praktische opstart:
De Vlaamse Ombudsdienst vraagt om de samenwerkingsovereenkomst eenmaal, voor gemeente en OCMW samen, te laten ondertekenen door de Vlaamse Ombudsvrouw en de voorzitter van de gemeenteraad en de algemeen directeur. De samenwerking kan op elk moment starten, al verkiest de Vlaamse Ombudsdienst om praktische redenen (onder andere facturatie) wel de eerste dag van de maand. Er wordt voorgesteld om in te stappen per 1 januari 2026.
De kost voor aansluiting voor gemeente en OCMW samen bedraagt tot op heden 5 eurocent per inwoner per jaar (btw is niet verschuldigd).
De jaarlijkse kost wordt zo geraamd op ongeveer 1 600 euro. De Vlaamse Ombudsdienst deelde mee dat er op 8 december 2025 waarschijnlijk een beslissing genomen zal worden over de te betalen forfaitaire prijs per inwoner. Er wordt verwacht dat deze prijs opgetrokken zal worden tot 10 eurocent per inwoner per jaar, waardoor de kost op jaarbasis voor lokaal bestuur Wevelgem (afgerond) 3 200 euro zou bedragen.
Beslist een ombudsdienst op te richten via een overeenkomst met de Vlaamse Ombudsdienst met ingang van 1 januari 2026. Deze overeenkomst wordt voor het lokaal bestuur Wevelgem ondertekend door de voorzitter van de gemeenteraad en de algemeen directeur.
Beslist om verder deel te nemen aan het Klimaatfonds Leiedal, samen met 10 andere gemeenten van de regio en Intercommunale Leiedal.
In 2023 hebben 11 Zuid-West-Vlaamse steden en gemeenten samen met Leiedal, het (lokale en bovenlokale) Klimaatfonds Zuid-West-Vlaanderen opgericht. Hiermee wilden de initiatiefnemers alle geledingen in de maatschappij betrekken bij de klimaatproblematiek via crowdfunding, het indienen van projecten en sensibilisering.
De doelstelling van het Klimaatfonds is dubbel:
Het betreft hier een regionale solidariteit en schaal, maar er is ook een sterke lokale dimensie waarbij iedere gemeente naar eigen wensen klimaatprojecten kan cofinancieren op het eigen grondgebied. Leiedal treedt op als vertegenwoordiger van de gemeenten in het kader van het beheer van het Klimaatfonds en werkt hiervoor samen met het Streekfonds West-Vlaanderen (beheerd door de Koning Boudewijnstichting).
Het Klimaatfonds bestaat uit twee deelfondsen:
De eerste gemeentelijke bijdragen om het Klimaatfonds operationeel te maken, werden gestort in september 2023. Intussen zijn al 23 projecten goedgekeurd, verspreid over 8 deelnemende gemeenten, waarbij het grootste deel van deze projecten het beoogde bedrag via crowdfunding heeft weten te behalen. Het eerste project in Wevelgem werd recent door de school De Levensboom ingediend en wordt momenteel opgestart voor crowdfunding. Ondertussen hebben nog 3 projecten interesse getoond maar werd er op vandaag nog geen project ingediend.
Op 27 juni 2025 bedroeg het resterende beschikbare budget nog ongeveer 300 000 euro voor de lokale fondsen en 150 000 euro in het bovenlokaal fonds. De oorspronkelijke samenwerkingsovereenkomst werd afgesloten voor een periode van 3 jaar en loopt tot en met 31 december 2025. Volgens de huidige afspraken vloeien de resterende middelen uit het lokale fonds bij stopzetting van de deelname naar het bovenlokaal Klimaatfonds. Om deze middelen gericht te blijven inzetten i.k.v. het Klimaatfonds is een verlenging van het fonds dus noodzakelijk. Vanuit Leiedal is de wens groot om het Klimaatfonds ook na 2025 verder te zetten als Klimaatfonds Leiedal, 11 gemeenten zijn bereid deel te nemen in het Klimaatfonds Leiedal voor de periode 2026-2028. Daartoe dient een nieuwe samenwerkingsovereenkomst goedgekeurd te worden. Het ontwerp van overeenkomst in dit verband wordt nu voorgelegd aan de gemeenteraad.
Het Klimaatfonds Leiedal wil verder alle geledingen in de samenleving betrekken bij het klimaatbeleid, om bij te dragen tot klimaatneutraliteit en de leefomgeving weerbaarder te maken tegen de gevolgen van de klimaatverandering. Het Klimaatfonds Leiedal richt zich verder tot de burger, organisaties en verenigingen, scholen, bedrijven en (lokale) overheden.
Waardevolle projecten met een positieve impact op het klimaat worden verder door het Klimaatfonds Leiedal gefinancierd, deels via het crowdfundingplatform van het Streekfonds West-Vlaanderen, deels vanuit het Klimaatfonds zelf. Eenieder kan een bijdrage leveren via het Klimaatfonds, door het nemen van eigen initiatieven, door initiatieven van derden financieel te ondersteunen of door het Klimaatfonds te steunen met giften of het te sponsoren.
De gemeenten storten in principe een bijdrage van 0,50 euro per inwoner per jaar in het fonds, voor Wevelgem zou dit jaarlijks 15 942 euro bedragen. Dit bedrag is niet langer integraal verschuldigd zolang het saldo van het lokaal deelfonds meer dan 25% van de verschuldigde jaarlijkse bijdrage bedraagt. Omdat dit momenteel het geval is voor gemeente Wevelgem, bedraagt de jaarlijkse bijdrage voor gemeente Wevelgem (voorlopig) 5 579,70 euro waarvan 3 985,50 euro als bovenlokale bijdrage en 1 594,20 euro als lokale bijdrage. Zodra het saldo van het lokaal deelfonds daalt onder de 25% van de verschuldigde jaarlijkse bijdrage of indien zich een waardevol project aandient waarvoor het saldo van het lokaal deelfonds ontoereikend is, wordt gevraagd het resterende bedrag van 10 362,30 euro bij te storten.
Leiedal spijst het bovenlokaal klimaatfonds met een bedrag dat overeenstemt met 50% van het totaal van alle gemeentelijke bijdragen, met een maximum van 40 000 euro per jaar.
Om de betrokkenheid bij en de (lokale) zichtbaarheid van het Klimaatfonds Leiedal te vergroten, wordt ook voorgesteld om voortaan de naam van het fonds te wijzigen en elk lokaal deelfonds te benoemen met de naam van het betrokken lokaal bestuur (in casu Klimaatfonds Wevelgem).
Het Klimaatfonds Leiedal wordt verlengd voor 3 jaar vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2028.
De uitgave wordt aangerekend op rekening PB44-ACT48/0350-00/664010 van het investeringskrediet.
Artikel 1
Beslist om het Klimaatfonds Leiedal te verlengen, samen met 10 andere gemeenten en Intercommunale Leiedal en keurt daartoe de overeenkomst tussen Intercommunale Leiedal en de lokale besturen met betrekking tot de samenwerking in het kader van het Klimaatfonds Leiedal 2026-2029, in bijlage, goed.
Artikel 2
Beslist, in uitvoering van artikel 3.3 van deze overeenkomst, een jaarlijkse bijdrage van maximaal 0,50 euro/inwoner/jaar bij te dragen voor de komende 3 jaar, met ingang van 1 januari 2026.
Het addendum aan de samenwerkingsovereenkomst met Intercommunale Leiedal, met betrekking tot de samenwerking in het kader van het lokaal energie- en klimaatpact 1.0, wordt goedgekeurd.
Wevelgem onderschreef, net als de andere steden en gemeenten in de regio Zuid-West-Vlaanderen, het lokaal energie- en klimaatpact (LEKP) met de Vlaamse regering (cfr. beslissingen van de gemeenteraad van 8 oktober 2021, 10 november 2022 en 8 juni 2023). Hiermee engageren de lokale besturen zich om concrete klimaatdoelstellingen te halen binnen vier werven: vergroening, energie, duurzame mobiliteit en waterbeheer.
In het kader van dit LEKP sloten de 13 gemeenten binnen de regio Zuid-West-Vlaanderen en Intercommunale Leiedal (Leiedal) een samenwerkingsovereenkomst af (cfr. beslissing van de gemeenteraad van 1 april 2022). In uitvoering van deze samenwerkingsovereenkomst zette Leiedal haar expertise ter beschikking middels het uitbouwen van een regionaal team van medewerkers die steden en gemeenten ondersteunen in projecten ter uitvoering van het LEKP. Deze overeenkomst loopt tot en met 31 december 2025
De Vlaamse regering heeft intussen beslist om het LEKP geleidelijk uit te doven, met enkel de beperkte verlenging van LEKP 1.0 tot en met eind 2026. Leiedal wil ook voor dit laatste jaar de lokale besturen ter zake blijven ondersteunen. De raad van bestuur van Leiedal besliste op 27 juni 2025 om de procedure op te starten om deze samenwerkingsovereenkomst, onder dezelfde modaliteiten, met één jaar te verlengen. Zo kunnen steden en gemeenten ook in 2026 een beroep blijven doen op één of meerdere detacheringsprofielen om hun klimaatprojecten te versterken en verder vooruitgang te boeken in lijn met de LEKP-doelstellingen.
Met zicht op de verlenging werd aan elk lokaal bestuur de kans gegeven om de tijdsinzet voor elk profiel opnieuw vast te leggen. Op vandaag wordt een beroep gedaan op 0,1 VTE (voltijds equivalent) projectmedewerker klimaat of 1 dag om de veertien dagen.
Op advies van de cel Duurzaamheid en de dienst Gebouwen stelt het college van burgemeester en schepenen voor om het takenpakket van 0,1 VTE te verhogen naar 0,2 VTE voor 2026 in functie van onderzoeken/analyses die Leiedal voor toekomstige investeringen in kaart kan brengen (cfr. beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 17 september 2025).
Leiedal bereidde een addendum bij de samenwerkingsovereenkomst voor. Dit addendum wordt nu ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad.
De uitgave voor deze samenwerkingsovereenkomst wordt aangerekend op PB2-ACT48/0350-00/613000 van het exploitatiekrediet.
Het addendum aan de samenwerkingsovereenkomst met (ondertussen nog 9) gemeenten binnen de regio Zuid-West-Vlaanderen en Intercommunale Leiedal, met betrekking tot de samenwerking in het kader van het lokaal energie- en klimaatpact, meer bepaald het lokaal energie- en klimaatpact 1.0, voor 2026, wordt goedgekeurd.
Goedkeuring wordt gegeven aan het wegenistracé, de aanleg ervan en de rooilijn naar aanleiding van de omgevingsvergunningsaanvraag voor een bouwproject in de Koningin Fabiolastraat, ter hoogte van Stampkot.
Er is een omgevingsvergunningsaanvraag ingediend voor het verbouwen van een halfopen woning met caféruimte tot winkelruimte met duplexappartement, het slopen van een aanbouw en het bouwen van 5 eengezinswoningen in de Koningin Fabiolastraat, ter hoogte van Stampkot.
De bouwplaats is gelegen ten zuiden van de dorpskern van Gullegem. De Koningin Fabiolastraat is een uitgeruste weg die voornamelijk gekenmerkt wordt door halfopen en gesloten bebouwingen van het type 1 of 2 bouwlagen en een hellend dak. De bouwplaats is gelegen op de hoek met Stampkot en bestaat uit een halfopen bebouwing van het type 3 bouwlagen en een zadeldak met een uitbouw met een plat dak en een dubbele garage met een plat dak. Op het gelijkvloers vooraan werd er een café uitgebaat. Aan de achterzijde bevindt zich een gelijkvloerse woning, met nog enkele ruimtes op de verdieping. Aansluitend bevindt er zich nog een braakliggend perceel. De aanvraag handelt over het verbouwen van de halfopen woning met caféruimte tot winkelruimte met duplexappartement, het slopen van een aanbouw en het bouwen van 5 eengezinswoningen.
Voor de 5 eengezinswoningen wordt rekening gehouden met 2 auto- en fietsstelplaatsen op eigen terrein. De woningen kunnen 1 wagen en 2 fietsen stallen in de inpandige garages en 1 wagen stallen op de oprit. Deze parkeerplaatsen worden aangelegd met steenslag in een honingraatstructuur (type nidagravel). Op die manier kan het water rechtstreeks infiltreren in de ondergrond. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm.
Voor het duplexappartement wordt rekening gehouden met 1,5 autostelplaatsen (afgerond 2) en 2 fietsstelplaatsen per wooneenheid. Ook de winkel dient voorzien te worden van voldoende fietsstelplaatsen voor het personeel en de bezoekers. Er worden 8 fietsstelplaatsen voorzien op eigen terrein naast het bouwvolume (achter de winkel): 4 voor klanten en 4 voor de bewoners van het appartement. Het duplexappartement krijgt 2 overdekte autostaanplaatsen op het perceel met nr. 34012D0129/00B006 (het straatje tegenover Stampkot). Bezoekers van de winkel dienen te parkeren in de Koningin Fabiolastraat.
De straat Stampkot is een verbindingweg met een breedte van 3 m die nog voor een gedeelte op private gronden ligt.
Om de 5 dieper gelegen woningen op een veilige manier te ontsluiten wordt de straat Stampot plaatselijk van een breedte van 3 m tot 5 m gebracht. De aanvrager legt deze strook wegenis aan en zal dat deel van zijn perceel kosteloos afstaan aan de gemeente Wevelgem.
De gemeenteraad houdt bij haar beslissing rekening met
Het project voorziet een nieuwe woonontwikkeling en de aanleg van de omgeving en de verbouwing van de bestaande bebouwing (een café). Gezien de woningen gebouwd worden in het begin van de weg 'Stampkot' en gegeven de beperkte schaal van het project, zijn de extra vervoersbewegingen die het project zal genereren niet hinderlijk voor de reeds aanwezige bewoning langs deze weg, noch voor de bestaande verkeerssituatie. Bovendien wordt een strook van 2 m breed over de ganse lengte van het perceel aangelegd en kosteloos afgestaan aan de gemeente, dit in functie van de plaatselijke wegverbreding tot 5 m. Deze wegverbreding komt de mobiliteit van de omgeving rond het project ook ten goede, deze wijziging van de gemeenteweg staat derhalve ten dienste van het algemeen belang, alsook van de aangrenzende percelen. Dit bouwproject betekent niet enkel een heropwaardering en logische invulling van deze site, er wordt geen gemeenteweg weggenomen, deze wordt enkel plaatselijk verbreed. Dit moet het plaatselijk verkeer vlotter en veiliger maken, zodat dit ook voor het doorgaand traag verkeer veiliger zal zijn.
De bestaande verkeersveiligheid en ontsluiting van aangrenzende percelen worden niet gehinderd. Er zijn geen gevolgen vanuit gemeentegrensoverschrijdend perspectief. De wijziging beperkt het bestaande wegennet niet, maar past zich nog optimaler ruimtelijk in de omgeving in (gekoppeld aan een opwaardering van de bestaande site en bijkomende woongelegenheid) en brengt op die manier de behoeften van de actuele en de toekomstige generaties niet in het gedrang.
Het voorstel is om de nieuwe rooilijn en wegenistracé goed te keuren.
Artikel 1
Keurt de ligging, breedte en uitrusting van de wegenis en het wijzigen van de rooilijn naar aanleiding van de omgevingsvergunningsaanvraag voor het verbouwen van een halfopen woning met caféruimte tot winkelruimte met duplexappartement, het slopen van een aanbouw en het bouwen van 5 eengezinswoningen in de Koningin Fabiolastraat, ter hoogte van Stampkot, met dossiernummer OMV_2025101951, zoals aangeduid op het rooilijnplan, goed.
Artikel 2
Keurt het rooilijnplan, in bijlage, goed. Dit plan wordt aan deze beslissing gehecht om er 1 geheel mee uit te maken.
Artikel 3
Tegen dit besluit van de gemeenteraad kan binnen de 30 dagen in het kader van een schorsend administratief beroep tegen de vergunningsbeslissing een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse regering. De procedure van dit beroep verloopt volgens artikel 31/1 van het omgevingsvergunningsdecreet.
Artikel 4
Dit besluit van de gemeenteraad is nietig wanneer:
De gemeente koop de panden Lode De Boningestraat nr. 19 (handelsgelijkvloers) en nr. 21 (woon- en handelshuis) aan.
Het handelspand (vroegere Sportics) en het woonhuis (waarvan het gelijkvloers ook deel uitmaakte van de vroegere Sportics) gelegen in de Lode De Boningestraat 19 en 21 werden te koop aangeboden. Deze panden zijn centraal gelegen - dicht bij het gemeentehuis, het gemeenteloket en de Sociale Kruidenier Pit en Boon - en vormen een opportuniteit voor het onderbrengen van publieke dienstverlening. Hierbij wordt in de eerste plaats gedacht aan het fysieke Huis van het Kind en ruimte voor de coördinator Buitenschoolse Opvang en Activiteiten.
Er werd voor beide panden een schattingsverslag opgemaakt door landmeter-expert Koen Roelandt respectievelijk op 16 april 2025 en 7 mei 2025. Er werd een bod gedaan van 676 800 euro, onder voorbehoud van goedkeuring door de gemeenteraad. De eigenaar heeft het bod aanvaard. Het bod is binnen de grenzen van de schattingsverslagen.
De gemeente stelde notaris Strobbe aan. De ontwerpakte werd opgemaakt door notaris Lucas Degandt, de notaris aangesteld door de verkopende partij.
De uitgave kadert binnen actieplan PB3-AP2: De implementatie van het decreet Buitenschoolse Opvang en Activiteiten geeft ons bijkomende verantwoordelijkheden op het vlak van de lokale opvang van 2,5 tot 12 jaar, met een bijzondere focus op peuters en kleuters.
De uitgave wordt aangerekend op rekening PB3-ACT3/0119-03/221007/IP-3 van het investeringskrediet.
Deze uitgave wordt deels betoelaagd, de aanwending van de boost-subsidie wordt geraamd op 88 300 euro.
Artikel 1
Gemeente Wevelgem koopt aan:
en dit voor 676 800 euro.
Artikel 2
De gemeenteraad keurt de voorliggende akte voor aankoop goed. Voornoemde akte blijft aan deze beslissing gehecht om er 1 geheel mee uit te maken.
Artikel 3
De gemeenteraad belast het college van burgemeester en schepenen met de verdere uitvoering van deze beslissing.
De gemeente Wevelgem koopt gronden in de Wittemolenstraat aan (lot 27).
Voor het project 'aanleggen van fietspaden en saneren van groene cluster Wittemolenstraat en Dadizelestraat', waarvoor de omgevingsvergunning werd verleend door de deputatie op 12 juni 2025, is het noodzakelijk om verschillende gronden te verwerven.
Er werd een opmetingsplan opgemaakt door landmeter-expert Thomas Vandenbogaerde op 9 oktober 2025. Dit plan werd opgenomen in de databank van de plannen van afbakening van de algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie onder refertenummer 34029/10559. Er werd een schattingsverslag opgemaakt door landmeter-expert Thomas Caesens op 21 mei 2024. Het gaat om een deel van het perceel grond gekadastreerd 4de afdeling, sectie C, nr. 216P (lot 27) met een oppervlakte van 101,52 m².
Een akkoord werd bereikt met de eigenaar voor het lot 27 (101,52 m²) voor een bedrag van 9 484 euro. Dit ligt binnen de marges van het schattingsverslag (schattingsprijs verhoogd met wederbeleggingsvergoeding en wachtintrest).
De eigenaar tekende een verkoopbelofte en een vervroegde ingenottreding.
Notaris Moens heeft de ontwerpakte opgemaakt.
De kosten worden aangerekend op rekening PB4-ACT34/0310-00/220007/IP-4 van het investeringskrediet.
Artikel 1
De gemeente Wevelgem koopt een perceel grond in de Wittemolenstraat aan voor een bedrag van 9 484 euro. Het gaat om een deel van het perceel grond gekadastreerd 4de afdeling, sectie C, nr. 216P (lot 27), met een oppervlakte van 101,52 m² volgens het opmetingsplan van landmeter-expert Thomas Vandenbogaerde van 9 oktober 2025 dat is opgenomen in de databank van de plannen van afbakening van de algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie onder refertenummer 34029/10559.
Artikel 2
De gemeenteraad keurt de voorliggende akte voor aankoop goed. Voornoemde akte blijft aan deze beslissing gehecht om er 1 geheel mee uit te maken.
Artikel 3
Affecteert de verworven grond, deze maakt voortaan deel uit van het openbaar domein van de gemeente.
Artikel 4
De gemeenteraad belast het college van burgemeester en schepenen met de verdere uitvoering van deze beslissing.
2 loten ter hoogte van Ter Gracht 23 worden verkocht aan de aangelande.
De eigenaars van Ter Gracht 23 hebben op 3 mei 2021 de vraag gesteld of het mogelijk is om een deel van het openbaar domein aan te kopen naast hun perceel. De betreffende loten maken deel uit van het openbaar domein, maar liggen buiten de rooilijn en hebben, gelet op hun ligging en aard, geen belangrijke meerwaarde voor het publiek in het algemeen.
Landmeter-expert Koen Roelandt heeft op 25 september 2024 een metingsplan opgemaakt waarop de te verkopen loten, lot 1 en lot 2, aangeduid zijn met een respectievelijke oppervlakte van 171 m² en 98 m².
Op het lot 1 zijn een aantal nutsleidingen (van Fluvius, Proximus en De Watergroep) aanwezig. Een verkoop zonder het verleggen van de leidingen is volgens de nutsmaatschappijen Proximus en Fluvius mogelijk mits het opnemen van een erfdienstbaarheid. Zij hebben zich uitdrukkelijk akkoord verklaard met deze verkoop. Volgens De Watergroep is de verkoop mogelijk door het opnemen van een nieuw te vestigen erfdienstbaarheid ten voordele van De Watergroep waarvoor zij tussenkomt in de akte.
Er werd een schattingsverslag opgemaakt door landmeter-expert Barbara Callens op 21 oktober 2024.
De eigenaars van Ter Gracht 23 hebben een aankoopbelofte ondertekend op 13 maart 2025 voor een bedrag van 15 900 euro. Dit bedrag is gelijk aan de geschatte waarde.
De ontvangst wordt geboekt op rekening 0680-00/220007/IP-OVERIG van het investeringskrediet.
Artikel 1
De gemeente desaffecteert lot 1 en lot 2, kadastraal gekend als 4de afdeling, sectie C, zonder nummer (deel van het openbaar domein), gelegen ter hoogte van Ter Gracht 23, met een respectievelijke oppervlakte van 171 m² en 98 m² volgens het opmetingsplan van landmeter-expert Koen Roelandt van 25 september 2024 dat is opgenomen in de databank van de plannen van afbakening van de algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie onder refertenummer 34029/10530.
Artikel 2
De gemeente Wevelgem verkoopt het in artikel 1 bedoelde lot 1 en lot 2, en dit voor een bedrag van 15 900 euro.
Artikel 3
De gemeenteraad keurt de voorliggende akte tot verkoop goed. Voornoemde akte blijft aan deze beslissing gehecht om er 1 geheel mee uit te maken.
Artikel 4
De gemeenteraad belast het college van burgemeester en schepenen met de verdere uitvoering van deze beslissing.
Namens gemeenteraad,
Kurt Parmentier
algemeen directeur
Michaël Picquart
voorzitter gemeenteraad