Terug
Gepubliceerd op 17/12/2025

Besluit  gemeenteraad

do 11/12/2025 - 19:00

Reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van voetpaden en boordstenen

Aanwezig: Michaël Picquart, voorzitter gemeenteraad
Luc Defraye, Jan Seynhaeve, Hendrik Vanhaverbeke, Mathieu Desmet, Geert Breughe, Lobke Maes, Stijn Tant, Marie De Clerck, Hendrik Libeer, Kevin Defieuw, Filip Daem, Sofie Mol, Bas Surmont, Heidi Craeynest, Charlotte Bonte, Elyn Stragier, Vicky Claeys, Jelle Stragier, Inge Goemaere, Jessica Corty, Yves Goddeeris, Luc Vanderhaeghe, Viktor Maes, Eva Parmentier, Dennis Bels, Ayrton Buyse, Stefaan Leon, Virginie Vermeersch, Nico Dupont, gemeenteraadsleden
Kurt Parmentier, algemeen directeur
Verontschuldigd: Liese Vandoorne, gemeenteraadslid

Het reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van voetpaden en boordstenen wordt hervastgesteld.

Feiten, context en argumentatie

Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van voetpaden en boordstenen.

Dit reglement maakt, enerzijds, recentelijk voorwerp uit van veel betwisting. Anderzijds noopt de financiële toestand van de gemeente het behoud van bestaande belastingen om de budgettaire evenwichten en de continuïteit van de gemeentelijke dienstverlening niet in het gedrang te brengen. Het is dan ook moeiliijk om dit reglement per direct af te schaffen door het niet te hernieuwen. In tijden van budgettaire krapte is het aangewezen om deze verhaalbelasting – in het licht van de gewijzigde beleidsvisie – uit te faseren. Door te werken met een uitfasering kan de gemeente haar financiële evenwichten behouden, terwijl voor alle belastingplichtigen een duidelijke, voorspelbare en billijke overgang wordt verzekerd. Verder past een uitfasering - met de intentie van huidige bestuursploeg om na deze uitdovingsperiode van 5 jaar, deze verhaalbelasting als afgeschaft te beschouwen - in de huidige visie omtrent ontharding en onthardingsstrategie van de lokale besturen.

Om voorgaande redenen wordt voorgesteld om dit belastingreglement ongewijzigd opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030 op 3 aanpassingen na.
Op deze manier wenst de gemeente deze verhaalbelasting verder te heffen met de bedoeling om de kosten van bedoelde uitrustingswerken terug te vorderen en dit nog tot en met 31 december 2030.

Het aanleggen van voetpaden en boordstenen komt in het bijzonder en rechtstreeks ten goede van de aangelande eigendommen, bewoners of gebruikers en hun bezoekers kunnen op een vlotte manier toegang nemen tot het aangelande eigendom. De aanleg bevordert de veiligheid omdat de panden niet rechtstreeks aanluiten op de rijweg. Het komt dan ook redelijk en billijk over om deze uitgaven te laten dragen door de rechtstreeks begunstigden.

Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren.

De vermelde uitzonderingen betreffen:

  • Het maximale bedrag aan terugvorderbare uitgaven per m² wordt begrensd tot 67,52 euro/m². Op deze manier heeft de noodzaak tot gebruik van duurdere materialen geen ‘ongelimiteerde’ invloed op de verschuldigde belasting. Immers keuzes in functie van duurzaamheid en doorlaatbaarheid, die op heden in functie van de klimaatverandering moeten gemaakt worden, kunnen de uitgaven voor de aanleg van voetpaden en boordstenen opdrijven. Het lijkt billijk dat de verhaalbare uitgave beperkt wordt tot 67,52 euro/m².
  • Omdat de huidige bestuursploeg een uitfasering van deze verhaalbelasting beoogt, wordt de mogelijkheid om deze belasting in één keer te voldoen door het bedrag van de nog niet-eisbare schijven van het kapitaal te storten, beperkt tot de niet‑eisbare kapitaalschijven die, overeenkomstig dit reglement, opeisbaar zullen worden uiterlijk op 31 december 2030. Deze beperking houdt rekening met de beoogde afschaffing van de verhaalbelasting vanaf 2031, geeft belastingplichtigen de mogelijkheid om interesten te vermijden, doch voorkomt dat belastingplichtigen nog terugvorderingen moeten stellen lastens de gemeente bij afschaffing van de belasting.
  • Ook omwille van de uitfasering acht de huidige bestuursploeg het gepast om enkel interesten te rekenen op het niet-teruggestorte gedeelte dat opeisbaar wordt, overeenkomstig dit reglement, uiterlijk op 31 december 2030.

 

De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.

Meerjarenplan en budget

De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/732300 van het exploitatiekrediet 2026-2030.  

Vorige beslissingen
  • Beslissing van de gemeenteraad van 13 december 2019: verhaalbelasting op het aanleggen van voetpaden en boordstenen.
Hogere regelgeving
  • De grondwet, in het bijzonder de artikelen 41, 162 en 170, §4.
  • Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
  • Decreet lokaal bestuur, in het bijzonder de artikelen 2, 40, 41, 252, 286 t.e.m. 287 en 326 t.e.m. 335. 
  • Omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit. 
Publieke stemming
Aanwezig: Michaël Picquart, Luc Defraye, Jan Seynhaeve, Hendrik Vanhaverbeke, Mathieu Desmet, Geert Breughe, Lobke Maes, Stijn Tant, Marie De Clerck, Hendrik Libeer, Kevin Defieuw, Filip Daem, Sofie Mol, Bas Surmont, Heidi Craeynest, Charlotte Bonte, Elyn Stragier, Vicky Claeys, Jelle Stragier, Inge Goemaere, Jessica Corty, Yves Goddeeris, Luc Vanderhaeghe, Viktor Maes, Eva Parmentier, Dennis Bels, Ayrton Buyse, Stefaan Leon, Virginie Vermeersch, Nico Dupont, Kurt Parmentier
Voorstanders: Luc Defraye, Jan Seynhaeve, Mathieu Desmet, Geert Breughe, Lobke Maes, Stijn Tant, Marie De Clerck, Hendrik Libeer, Kevin Defieuw, Sofie Mol, Bas Surmont, Charlotte Bonte, Elyn Stragier, Jelle Stragier, Inge Goemaere, Jessica Corty, Viktor Maes, Michaël Picquart, Eva Parmentier
Onthouders: Hendrik Vanhaverbeke, Filip Daem, Heidi Craeynest, Vicky Claeys, Yves Goddeeris, Luc Vanderhaeghe, Dennis Bels, Ayrton Buyse, Stefaan Leon, Virginie Vermeersch, Nico Dupont
Resultaat: Met 19 stemmen voor, 11 onthoudingen
Beslissing

Artikel 1 
Voor een periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030 wordt een verhaalbelasting geheven op het aanleggen van voetpaden en boordstenen. 

 

Artikel 2 
§1. De eigendommen, gelegen langs openbare wegen of gedeelten van openbare wegen, waarlangs voetpaden worden aangelegd, waar voorheen geen verharde voetpaden aangelegd door of in opdracht van de gemeente aanwezig waren, worden onderworpen aan een jaarlijkse directe belasting waarbij de door de gemeente gedane kosten worden teruggevorderd.

Met verharde voetpaden worden bedoeld:

-        voetpaden in dallen

-        voetpaden in betonstraatstenen

-        voetpaden in natuursteen (kasseien, platines).

 

§2 Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op de som van de terugvorderbare uitgaven, verhoogd met de intresten.

 

Artikel 3 
§1. De terugvorderbare uitgaven omvatten de kosten voor de grondwerken, de fundering en de verharding, verhoogd met de kosten voor het ereloon voor de opmaak en opvolging van de werken en dit ongeacht de eventuele subsidie die zou verkregen zijn voor de werken, evenwel beperkt tot een maximum van 67,52 euro/m². Deze uitgaven worden berekend op de volledige straatlengte van het kadastraal perceel. De maximum verhaalbare breedte van het voetpad bedraagt 2 meter.

 

§2. Bijzondere bepaling voor percelen, gelegen op de hoek van twee of meerdere openbare wegen.

1. Als het kadastraal perceel gelegen is op de hoek van twee of meerdere openbare wegen, waarlangs gelijktijdig werken worden uitgevoerd die aanleiding geven tot het heffen van onderhavige verhaalbelasting, dan wordt voor het berekenen van de terugvorderbare uitgaven, enkel rekening gehouden met de kostprijs van de werken aan deze zijde van het perceel met de grootste straatlengte.

2. Als het kadastraal perceel gelegen is op de hoek van twee of meerdere openbare wegen, waarlangs de werken achtereenvolgens langs verschillende straatzijden van het betrokken perceel worden uitgevoerd en dit op basis van duidelijk van elkaar onderscheiden opdrachten, dan wordt de heffing berekend op basis van de straatlengte van het betrokken perceel, waarlangs de werken worden uitgevoerd en dit in de volgorde waarin de werken langs de onderscheiden straatzijden worden uitgevoerd.

Met de werken die later worden uitgevoerd langs een andere zijde van het perceel, wordt echter enkel rekening gehouden als de straatzijde waarlangs deze worden uitgevoerd groter is dan de zijde waarlangs voorheen al gelijkaardige werken werden uitgevoerd die aanleiding gaven tot een heffing in het kader van onderhavig reglement.

Bovendien wordt in dergelijk geval enkel het aantal meter straatzijde in aanmerking genomen dat groter is dan de straatzijde op basis waarvan de vorige heffing(en) werd(en) berekend.

3. Wanneer het gaat om een afgesneden of afgeronde hoek, gevormd door twee openbare wegen, dan wordt de lengte van de straatzijde bepaald door de projectie van de afstand tussen de uiterste punten van het perceel op de straatzijde.

 

Artikel 4 
§1. De invordering van de verhaalbelasting wordt gespreid over tien jaar. De eerste jaarlijkse belasting is verschuldigd op de eerste januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken, zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, en vervolgens telkens op 1 januari van de volgende  aanslagjaren, onverminderd artikel 5.

 

§2. De jaarlijkse belasting omvat de jaarlijkse schijf van 1/10de van het terug te betalen kapitaal dat aangewend werd ter betaling van de terugvorderbare uitgaven, vermeerderd met het bedrag van de intrest die op het niet-teruggestorte gedeelte moet worden betaald, met dien verstande dat enkel interest wordt berekend op het niet-teruggestorte gedeelte dat opeisbaar wordt, overeenkomstig dit reglement, uiterlijk op 31 december 2030.

De toe te passen rentevoet is de eerste IRS-ASK rentevoet op tien jaar die op 1 januari van het jaar volgend op de voorlopige oplevering van de werken beschikbaar is, verhoogd met 75 basispunten. De toe te passen rentevoet kan nooit negatief zijn. De voorlopige oplevering van de werken blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen. De rentevoet blijft gehandhaafd gedurende de ganse looptijd waarin de verhaalbelasting verschuldigd is.

De jaarlijkse belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar.

 

Artikel 5 
De belastingplichtige kan, te allen tijde, het eigendom ontlasten van het bedrag van de terugvorderbare uitgave die erop betrekking heeft, door aan de gemeente het bedrag van de nog niet-eisbare schijven van het kapitaal te storten, weliswaar beperkt tot de niet‑eisbare kapitaalschijven die, overeenkomstig dit reglement, opeisbaar zullen worden uiterlijk op 31 december 2030.

De intrest is steeds verschuldigd voor het jaar tijdens hetwelk de betaling plaats heeft.

 

Artikel 6
§1. Als belastingplichtige wordt beschouwd, de natuurlijke of rechtspersoon die op het moment van het verschuldigd worden van de belasting houder is van één van de hierna vermelde zakelijke rechten op het eigendom:
- de volle eigendom,
- het recht van opstal of van erfpacht,
- het vruchtgebruik.

 

§2. Ingeval van overdracht van het zakelijk recht onder levenden, is de nieuwe zakelijk gerechtigde de belasting verschuldigd met ingang van 1 januari volgend op de datum van de authentieke akte van overdracht.

 

§3. In het geval van onverdeeldheid van voormeld zakelijk recht is iedere deelgenoot belastingplichtig in verhouding tot zijn deel in het eigendom, evenwel zijn zij hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting.

Wanneer het eigendom bestaat uit een gebouw met meerdere appartementen, waarop de verschillende zakelijk gerechtigden een uitsluitend recht hebben, dan wordt de belasting die betrekking heeft op het gebouw, verdeeld onder hen in verhouding van hun respectief aandeel in de gemeenschappelijke gedeelten.

 

Artikel 7 
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen. 

 

Artikel 8 
Worden op het kohier gebracht de belastingplichtingen, aangeduid zoals bepaald in artikel 6 ingevolge hun hoedanigheid van belastingplichtige op 1 januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken die aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van de belasting zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen en op 1 januari van ieder volgend aanslagjaar tot het kapitaal en de eventuele intresten gedelgd zijn.

 

Artikel 9
§1. Dit belastingreglement treedt in werking op 1 januari 2026 en is geldig tot en met 31 december 2030.  Meer bepaald is dit reglement van toepassing op de werken waarvan de voltooiing blijkt uit de voorlopige oplevering zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen tijdens een periode ingaand op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2030. 

 

§2. De bepalingen van de vroeger van kracht zijnde reglementen houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van voetpaden en boordstenen (zoals eerder goedgekeurd dan 11 december 2025) blijven onverminderd en integraal van toepassing op de toestanden die tijdens hun bestaansduur ontstonden, meer bepaald voor werken waarvan de voltooiing blijkt uit de voorlopige oplevering van de werken (zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen) vóór 1 januari 2026. In afwijking hiervan wordt het in artikel 3, §1, van dit reglement vastgelegde maximum van 67,52 euro per m² vanaf inwerkingtreding van huidig reglement eveneens toegepast op werken waarvan de voltooiing blijkt uit de voorlopige oplevering, vastgesteld bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen, vóór 1 januari 2026. Dit maximum geldt in dat geval enkel voor de schijven die vanaf 1 januari 2026 opeisbaar worden; reeds opeisbaar geworden schijven blijven ongewijzigd behouden volgens de bepalingen van de vroeger van kracht zijnde reglementen.

 

§3. In geval van opheffing of niet-hernieuwing van huidig reglement of in geval van verlaging van de mate van terugvorderbaarheid van de gedane uitgaven (cfr. artikel 3), zullen aan de belastingplichtigen die tot de bevrijding volgens artikel 5 overgegaan zijn, de bedragen terugbetaald worden, die ingevolge de gezegde opheffing, niet-hernieuwing of verlaging beschouwd moeten worden als zijnde ten onrechte toegevallen aan de gemeente.