Het reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van wegenuitrusting wordt hervastgesteld.
Op 31 december 2025 verstrijkt de geldigheidsduur van het reglement houdende de verhaalbelasting op het aanleggen van wegenuitrusting. Het is aangewezen dit belastingreglement opnieuw vast te stellen voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031.
De door de gemeente gedane uitgaven voor de aanleg, de verbetering en de uitrusting van de openbare wegen betekenen een zware last voor de gemeentelijke financiën. Ook al gaat het om uitgaven van algemeen belang, toch dragen ze in het bijzonder en rechtstreeks bij aan het in de hand werken van de verkoopwaarde van de eigendommen gelegen langsheen de aangelegde of uitgeruste wegen. Het aanleggen van wegenuitrusting komt derhalve in het bijzonder en rechtstreeks ten goede van de aangelande eigendommen. Het komt dan ook redelijk en billijk over om deze uitgaven te laten dragen door de rechtstreeks begunstigden.
Het verwerven van inkomsten via belastingen is noodzakelijk om de algemene uitgaven van de gemeente te financieren.
De krachtlijnen rond de hervaststelling van de belastingreglementen n.a.v. de nieuwe legislatuur werden toegelicht op de gemeenteraadscommissie Algemeen Beleid en Ondersteuning van 4 november 2025.
De ontvangsten worden geboekt op rekening 0020-00/732100 van het exploitatiekrediet 2026-2031.
Artikel 1
Voor een periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 wordt een verhaalbelasting geheven op het aanleggen van wegenuitrusting.
Artikel 2
§1. De eigendommen, gelegen langs een openbare weg, waarin door de gemeente grondwerken en wegbedekkingen worden uitgevoerd en/of trottoirbanden worden geplaatst voor de aanleg, de verbreding, de rechttrekking of verlenging van een openbare weg, worden onderworpen aan een jaarlijkse directe belasting waarbij de kosten die door de gemeente zijn gemaakt voor deze werken, worden teruggevorderd.
§2. Van deze belasting zijn vrijgesteld de eigendommen die gedurende een ononderbroken periode van minstens dertig jaar reeds bereikbaar waren via een bestaande publiek toegankelijke/openbare wegenis. Onder ‘wegenis’ wordt verstaan: elke feitelijke toegangsweg in verhard materiaal, waaronder onder meer dolomiet, grind, beton, asfalt of gelijkwaardig materiaal wordt begrepen.
§3. De kosten voor onderhoudswerken worden niet teruggevorderd.
§4. De belasting is niet van toepassing voor kadastrale percelen waarop al een bewoonbare woning staat en die bereikbaar is via een bestaande weg, verhard in asfalt, beton of betonstraatstenen.
Als deze percelen worden gesplitst om bijkomende woningbouw te realiseren, zal bij aflevering van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor de nieuw gerealiseerde percelen alsnog een belasting verschuldigd zijn vanaf 1 januari volgend op het afleveren van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.
§5. Wanneer een eigendom of een gedeelte van een eigendom niet rechtstreeks uitweg kan nemen tot de openbare weg waar de werken plaatsvinden, maar dit moet doen via het openbaar domein, dan wordt de belasting, berekend overeenkomstig artikel 4, waarbij uitgegaan wordt van de veronderstelling dat dit private domein grenst aan de openbare weg waar de werken plaatsvinden.
§6. Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op 100% van de som van de terugvorderbare uitgaven.
Artikel 3
De terugvorderbare uitgaven zijn: de som van volgende uitgaven, in de mate dat ze budgettair ten laste vallen van de gemeentekas en dit ongeacht de eventuele subsidie die zou verkregen zijn voor de werken:
- de kosten voor het opmaken van het ontwerp en andere studies die verband houden met de werken,
- de kosten van de grondwerken, van de funderingen en van de wegbedekkingen,
- de kosten van de boordstenen, van greppels, en van hun plaatsing,
- de kosten van de uitrusting nodig voor de afvoer van waters, andere dan afvalwaters,
- de kosten van verplaatsing of afbraak of wegnemen van leidingen en bouwwerken, alsmede de kosten van verplaatsing van beplantingen nodig voor het uitvoeren van de werken,
- de kosten van toezicht en aanbesteding, die 8% van de kosten van de werken niet mogen overschrijden,
- de kosten voortspruitend uit technische moeilijkheden die ondervonden worden bij het uitvoeren van de werken.
Het bedrag van de terugvorderbare uitgaven wordt berekend op een maximumbreedte van de weg van 9 meter. Wanneer de door de gemeente aangelegde wegenis een grotere breedte heeft dan 9 meter zal, op basis van de evenredigheidsregel, een schatting worden gemaakt van de kostprijs voor de aanleg van wegenis met een breedte van 9 meter. De gemeente neemt dan het verschil tussen de effectieve kostprijs van de werken en de schatting van de kostprijs voor de aanleg van wegenis met een breedte van 9 meter voor haar rekening.
Artikel 4
§1. De invordering van de verhaalbelasting wordt gespreid over tien jaar. De eerste jaarlijkse belasting is verschuldigd op de eerste januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken, zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, en vervolgens op 1 januari van de volgende negen aanslagjaren, onverminderd artikel 9.
§2. Het bedrag van de belasting is gelijk aan de ‘eenheidsprijs per strekkende meter’ vermenigvuldigd met de lengte van het eigendom aan de straatzijde, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 5.
De eenheidsprijs per strekkende meter wordt bekomen door het geheel van de terugvorderbare uitgaven te delen door de totale lengte van de eigendommen aan de straatzijde.
Wanneer het gaat om een afgesneden of afgeronde hoek gevormd door twee openbare wegen, wordt, voor de berekening van het bedrag van de verschuldigde belasting, de lengte ervan voor de helft aangerekend langs elke straatzijde.
Artikel 5
Wanneer er twee of meer eigendommen of gedeelten van eigendommen gelegen zijn binnen een van de zones die zich langs beide zijden van de weg uitstrekken, over een diepte van 12 meter, dan wordt de belasting, welke berekend wordt overeenkomstig artikel 4, verdeeld onder de betrokken eigenaars in verhouding tot de oppervlakte welke zij binnen de betrokken zone bezitten.
Wanneer er een strook non aedificandi bestaat, wordt er voor de berekening van de diepte van 12 meter, zoals bedoeld in alinea 1, met de diepte van deze strook geen rekening gehouden.
Artikel 6
In de mate waarin de stroken, bepaald in het voorgaande artikel elkaar overlappen, kan een eigendom of een gedeelte van een eigendom niet tweemaal worden belast wegens werken uitgevoerd in twee verschillende wegen. Het gedeelte dat overlapt, wordt dan 1 maal vrijgesteld.
Wanneer werken gelijktijdig aan twee verschillende wegen uitgevoerd worden, geldt de vrijstelling voor de belasting welke verschuldigd is voor de werken aan de weg waar de belasting het laagst is.
Dit artikel is niet van toepassing op de hoekterreinen.
Artikel 7
Het eigendom of gedeelte van een eigendom gelegen op de hoek van twee openbare wegen of van twee gedeelten van de openbare weg en dat langs elk van deze wegen of gedeelten van de weg aan de straatzijde gelegen is, wordt vrijgesteld:
a) als de werken achtereenvolgens in de twee wegen uitgevoerd werden voor de verwezenlijking van verschillende ontwerpen en in het kader van verschillende opdrachten: voor de belasting die verschuldigd is voor de weg waar de werken in laatste instantie uitgevoerd werden.
b) als de werken gelijktijdig in de twee wegen uitgevoerd werden: voor de belasting die verschuldigd is voor de weg waar de belasting op basis van de gevellengte van het eigendom het laagst is.
Deze bepaling is slechts van toepassing wanneer de assen van de wegen of gedeelten van openbare wegen tegenover het betrokken eigendom een hoek vormen van ten hoogste 120°.
Bovendien worden de door onderhavig artikel toegestane vrijstellingen slechts berekend op een maximale gevellengte van het eigendom van 40 meter langs elke weg of gedeelte van een weg.
Wanneer het gaat om een afgesneden of afgeronde hoek wordt de lengte ervan voor de helft aangerekend langs elke straatzijde of gedeelte van een straatzijde.
De verkaveling of de wijziging van de oppervlakte van een eigendom brengt geen verandering in de bij onderhavig artikel bepaalde vrijstelling.
Artikel 8
De jaarlijkse belasting omvat de jaarlijkse schijf van 1/10de van het terug te betalen kapitaal dat aangewend werd ter betaling van de terugvorderbare uitgaven, vermeerderd met het bedrag van de intrest die op het niet-teruggestorte gedeelte moet worden betaald.
De toe te passen rentevoet is de eerste IRS-ASK rentevoet op tien jaar die op 1 januari van het jaar volgend op de voorlopige oplevering van de werken beschikbaar is, verhoogd met 75 basispunten. De toe te passen rentevoet kan nooit negatief zijn. De voorlopige oplevering van de werken blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen. De rentevoet blijft gehandhaafd gedurende de ganse looptijd waarin de verhaalbelasting verschuldigd is.
De jaarlijkse belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar.
Artikel 9
De belastingplichtige kan, te allen tijde, het eigendom ontlasten van het bedrag van de terugvorderbare uitgave die erop betrekking heeft, door aan de gemeente het bedrag van de nog niet eisbare schijven van het kapitaal te storten.
De intrest is steeds verschuldigd voor het jaar tijdens hetwelk de betaling plaats heeft.
Artikel 10
§1. Als belastingplichtige wordt beschouwd, de natuurlijke of rechtspersoon die op het moment van het verschuldigd worden van de belasting houder is van één van de hierna vermelde zakelijke rechten op het eigendom:
- de volle eigendom,
- het recht van opstal of van erfpacht,
- het vruchtgebruik.
§2. Ingeval van overdracht van het zakelijk recht onder levenden, is de nieuwe zakelijk gerechtigde de belasting verschuldigd met ingang van 1 januari volgend op de datum van de authentieke akte van overdracht
§3. In het geval van onverdeeldheid van voormeld zakelijk recht is iedere deelgenoot belastingplichtig in verhouding tot zijn deel in het eigendom, evenwel zijn zij hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting.
Wanneer het eigendom bestaat uit een gebouw met meerdere appartementen, waarop de verschillende eigenaars een uitsluitend recht hebben, dan wordt de belasting die betrekking heeft op het gebouw, verdeeld onder hen in verhouding van hun respectief aandeel in de gemeenschappelijke gedeelten.
Artikel 11
De belasting wordt uitgesteld in de volgende gevallen:
1° wanneer de huidige belastingplichtige vrijgesteld is ingevolge de wetten en besluiten.
2° voor de niet-bebouwde terreinen welke gelegen zijn in de landelijke gedeelten van de gemeenten zoals bepaald door het gewestplan. Dit landelijk gedeelte omvat de agrarische gebieden, de bosgebieden, de groengebieden, de parkgebieden, de bufferzones en alle andere zones waarop het in beginsel niet toegelaten is exclusief woongebouwen op te richten zoals vermeld in het goedgekeurd gewestplan.
3° voor de terreinen waarop het ingevolge een beslissing van de overheid niet toegelaten of niet mogelijk is te bouwen; ter zake worden de aaneenpalende terreinen, die aan eenzelfde eigenaar toebehoren als één geheel beschouwd.
4° voor terreinen van openbaar nut.
Wanneer de toestand om reden waarvan de belasting uitgesteld werd, geheel of gedeeltelijk een einde neemt voor het verstrijken van een periode van tien jaar te rekenen vanaf het eerste aanslagjaar, is de jaarlijkse belasting verschuldigd vanaf 1 januari hierop volgend.
Als, bij het verstrijken van de tien jaren, deze toestand nog geen einde genomen heeft, wordt het goed definitief vrijgesteld.
Artikel 12
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 13
Worden op het kohier gebracht de belastingplichtigen, aangeduid zoals bepaald in artikel 10 ingevolge hun hoedanigheid van belastingplichtige op 1 januari volgend op de voorlopige oplevering van de werken die aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van de belasting zoals blijkt uit een beslissing van het college van burgemeester en schepenen en op 1 januari van ieder volgend aanslagjaar tot het kapitaal en de eventuele intresten gedelgd zijn.
Artikel 14
§1. Dit belastingreglement treedt in werking op 1 januari 2026 en is geldig tot en met 31 december 2031. Meer bepaald is dit reglement van toepassing op de werken waarvan de voltooiing blijkt uit de voorlopige oplevering zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen tijdens een periode ingaand op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031.
§2. De bepalingen van de vroeger van kracht zijnde reglementen betreffende de verhaalbelasting op het aanleggen van wegenuitrusting (zoals eerder goedgekeurd dan 11 december 2025) blijven onverminderd en integraal van toepassing op de toestanden die tijdens hun bestaansduur ontstonden, meer bepaald voor werken waarvan de voltooiing blijkt, uit de voorlopige oplevering van de werken (zoals vastgesteld in een beslissing van het college van burgemeester en schepenen) vóór 1 januari 2026.
§3. In geval van opheffing of niet-hernieuwing van deze verordening of wanneer een gunstiger belastingregime wordt aangenomen voor het verstrijken van de terugbetalingstermijn, wordt het eisbaar geworden kapitaal van de belastingschuld terugbetaald aan de belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 9 hun belastingaandeel geheel of gedeeltelijk in een stuk hebben betaald.